Drieduizend jaar later

Vanachter mijn computer had ik uitzicht op het drijvende nest van een meerkoet. Of eigenlijk: op een watervogel-wissel-nest want eerst huisde er een futenstel, na de bevalling vertrok dat met kroost en al en vestigde de meerkoet zich er. Inmiddels zijn ook de kleine koetjes groot geworden, sindsdien zag ik er waterkippen, eenden en zelfs een reiger, maar nu is de oude koet terug.
Schuin boven het nest groeit van alles, in het bijzonder een forse braamstruik die royaal vrucht draagt. Begeerlijk fruit voor de vogelen des hemels maar kennelijk ook voor watervogels. Het was vermakelijk en spannend te zien hoe op een morgen de meerkoet stond te dansen op het nest, zich uit alle macht uitrekkend om toch maar bij de rijpe bramen te komen. De ‘lekkere trek’ stimuleerde tot ware sprongen. En daarmee kwam hij best hoog. Tenslotte voldaan vouwde het beest de vermoeide poten onder zich om met zichtbare verbazing te constateren dat door al zijn hebzuchtig gespring het oude nest onder water was verdwenen. Weg rustplaats.
Al zo’n drieduizend jaar terug legden we uit ervaring gebruiksregels vast voor onze nestelplaats. Je leest ze in het bijbelboek Leviticus: zes jaar het land bewerken en er van oogsten, “maar het zevende jaar moeten jullie het land laten rusten.” De koet wast zijn pootjes in onschuld en wij weten beter. Toch?

Kees van Zijverden
NHD sep19