25 december 2018 * Kerstmorgendienst

Jesaja 11: 1-10 en Johannes 1: 1-14

door ds. H.G. Haandrikman, mmv de Cantorij en Jan Spijker, orgel

Heer,
Wij zouden het wel willen uitzingen van vreugde
mèt alle mensen op uw aarde:
ook met wie de mond gesnoerd is
door de bruutheid en de tirannie,
ook met wie het zingen vergaan is
door de pijn en de aftakeling,
ook met wie door niemand gehoord wordt,-
aan wie ieder voorbij gaat.
Maar laat ons dan hier
ook in hun naam,
in naam van allen,
bidden om uw ontferming
en zingen van uw nabijheid,
uw betrokkenheid bij de wereld.
Zo bidden wij:

Voor de OT-lezing: Boom van Jesse

Uit de afgehouwen boom, uit de stronk van Isaï komt een takje voort, Zo horen we in de lezing uit Jesaja 11. Dat beeld staat voor de de hoop die telekens weer wordt omgehakt en waar telkens weer een takje uit te voorschijn komt. Niet uit te roeien, de hoop op een rechtvaardige samenleving. Dat beeld wordt toegepast op het pasgeboren kind Jezus, De hoop in levende lijve. Het woord hoop dat vlees is geworden.
Dat beeld van die stronk van Isaï die uitgroeit in Jezus vinden we al heel snel terug in beeldhouwwerken en schilderingen. Daar zien we Isaï ook wel Jesse genoemd loggen met uit zijn zij een tak die wordt tot een boom met daaraan zijn nakomelingen tot en met Jezus. De boom van Jesse.
We hebben in onze eigen kerk een prachtige afbeelding daarvan. In één van de plafondschilderingen. Die prachtige plafondschilderingen – vorige week nog noemde dr. Luc Megens van de rijksdienst voor het culrtureel erfgoed ze nog de Nachtwacht van Enkhuizen

Verhaal voor de kinderen:
Ze wonen in een oude boerenschuur.
Die wordt niet meer gebruikt, de boer is allang geleden vertrokken.
Maar op de lege graanzolder woont een grote muizenfamilie.
De winter komt, en dan hebben de muizen het druk. Ze verzamelen graan, en stro en noten.
Allemaal werken ze hard mee! Behalve……Jesaja!
‘’Waarom werk jij niet, Jesaja?’’
‘’Ik werk toch, zegt Jesaja, ik verzamel zonnestralen voor de koude,donkere wintertijd!’’
Soms zit hij gewoon wat in de verte te turen. ‘’En nu dan, Jesaja?’’
’’Nu verzamel ik kleuren, antwoordt hij, want in de winter is alles grauw.’’
En af en toe lijkt het wel alsof Jesaja wat zit te slapen.
‘’Droom je soms, Jesaja?’’, vragen ze dan verwijtend.
‘’O nee, ik verzamel woorden. Want de winter is lang en koud,
en dan weten wij misschien niets meer te zeggen.’’
Het wordt winter, het begint te sneeuwen, en te vriezen.
Maar op de zolder van de schuur is het gezellig, en er is genoeg te eten,
en de muizen vertellen elkaar leuke verhalen, en grapjes, en ze zijn vrolijk.
Maar langzaam raakt het eten op…..
Na een tijdje weten ze bijna niet meer hoe koren eruit zag.
Ineens denken ze aan Jesaja, en wat die zei over zonnestralen, en kleuren, en woorden.
‘’Hoe staat het met jóuw voorraad, Jesaja?’’
‘’Doe je ogen maar dicht’’, zegt hij, en dan klautert hij op een grote steen.
‘’Nu stuur ik jullie mijn zonnestralen. Voel je hun warmte, hun gouden gloed?….’’
De andere verkleumde muizen voelen zich al warmer en warmer worden.
‘’En de kleuren, Jesaja, de kleuren?’’, vragen ze ongeduldig.
‘’Doe je ogen maar weer dicht, zegt Jesaja, en dan vertelt hij over de blauwe korenbloemen, de rode klaprozen, en het gele graan.
De muizen zíén de kleuren voor zich, en het is net alsof het zomer is.
‘’En de woorden, Jesaja!’’
Jesaja schraapt zijn keeltje, en dan begint hij voor te dragen:

De winter is zo lang en koud.
En muizen zijn maar klein.
Het valt niet mee, o nee, o nee,
Om nu een muis te zijn.
Maar wij dromen van zonneschijn,
Van graan en beukennootjes;
Daar krijg je warme oortjes van,
En warme muizenpootjes.
Nog eventjes, nog eventjes,
De lente komt er aan!
Dan wordt het weer een leventje
Van zonneschijn en graan!

Als het gedicht uit is, beginnen alle muizen te klappen.
‘’Jesaja, roepen ze, je bent een dichter, niet alleen een dromer, maar een dichter!’’
En Jesaja bloost, en buigt, en zegt zachtjes: ‘’ik weet het…’’

Net als de muizen vinden veel mensen de winter moeilijk. De nachten zijn lang, het is koud en donker. En wie heeft de goede woorden om mensen weer warm te maken, om ze licht en kleur te geven?
Waar is Jesaja, waar zijn de dromers en dichters midden in onze winternacht?…
Morgen zeggen we alweer: ‘’Kerst was gisteren….’’Is er iets veranderd? Voor u?
Je ziekte neem je gewoon weer mee, en je zorgen ook, over de kerstdagen heen, het nieuwe jaar in en hoe zal het verder gaan?
En zal er na Kerst 2018 nu eindelijk eens wat meer vrede op aarde zijn?
Hoevelen leven op de rand van de nacht . Overal in de wereld en ook hier. Voor zoveel mensen is dit juist de moeilijkste, letterlijk maar juist ook figuurlijk de donkerste tijd.
Net als de veldmuizen hebben wij in ons midden ook dichters en dromers nodig of ze nu Jesaja heten of Johannes of Lucas. Wie zijn de profeten van onze tijd? We hebben ze zo nodig in een wereld waarin op alle niveaus de hardste schreeuwers het voor het zeggen hebben. We hebben andere woorden nodig, andere verhalen. We hebben plekken nodig waar mensen die woorden en verhalen verzamelen en koesteren als tegenbeweging tegen alles wat er aan verdeeldheid en haat de wereld wordt ingeslingerd. Volgens een onderzoek van het Sociaal Planbureau betekent de teruggang van geloof en kerk dat er kraters worden geslagen in de maatschappij. Vooral daar waar het gaat om onderlinge verbondenheid en vrijwilligerswerk. Ik denk dat dat je ook kunt zeggen dat we met die teruggang ook plekken verliezen waar je een ander verhaal kunt horen dan wat er over je wordt uitgestort. Het verhaal waardoor je opstaat en mildheid zet tegenover hardheid. Waardoor we blijven verlangen in de duistere berichten van onze dagen naar een land en een leven zonder angst en leugen.
Om te leren dat er uit de afgehouwen boomstronk weer een takje gaat groeien, dat uit de nacht onweerstaanbaar de morgen groeit en de lente uit de winter. Zo zit in elke duisternis een eigen dynamiek. Zo heeft God zijn schepping uitgedacht.
Diezelfde rusteloze dynamiek zit in de mensen: onweerstaanbaar groeit bij elke ongerechtigheid een onbehagen en een weerstand en die wil om eindelijk en voorgoed gerechtigheid te maken. Maar daar hebben we woorden en verhalen voor nodig. Op het gevaar af dat u denkt dat ik mijn eigen toko aan het verkopen ben: we hebben juist nu plekken als deze hard nodig. We zijn niet meer de kerken van vroeger waar je dingen werden opgedrongen. We willen bewaarplaatsen zijn van de verhalen en goede woorden opdat ze gaan leven. Zoals Johannes zegt dat woord vlees is geworden. Wat hebben we ze nodig de profeten, dromers en dichters.
Wie zijn onze profeten, dromers en dichters in deze tijd? Kunnen we het zelf zijn? In onze eigen omgeving?

We vieren de geboorte van Jezus, de Christus, de Zoon. In de woorden van de evangelist Johannes: het woord werd vlees. En daarmee omschrijft hij een proces dat in ieder van ons, elk moment van elke dag, kan plaatsvinden.

Allereerst in Maria, destijds, in Nazareth en Bethlehem. Maria ontvangt het woord Gods. Zij heeft er innerlijke ruimte voor – of maakt die. Zij neemt het woord in zich op, ontvangt het. Het weerklinkt in haar, echoot in haar. Het woord groeit in haar, komt tot ontwikkeling. Het voedt zich met dat waarmee zij zich voedt. En Maria koestert het woord. Zij oefent geduld, net zo lang tot het geboren kan worden, rijp is om vorm te krijgen in deze werkelijkheid. Zij oefent geduld, net zo lang tot het woord vlees kan worden.

Dat kan ook in ons plaatsvinden. Het woord – dat kan van alles zijn. Een woord uit de bijbel of uit een ander boek, de stilte, de natuur, muziek, liturgie, een ander mens, een beeld dat in je opkomt. Maar ook alle levenservaringen; om uitersten te noemen: intense liefde en vreugde, intense pijn en lijden. Al die woorden worden in ons gesproken. Al die woorden kunnen in ons weerklinken. Al die woorden zouden we in geduld kunnen dragen om ze tot ontwikkeling te laten komen. Net zo lang tot ze geboren kunnen worden, vlees kunnen worden. Net zo lang tot ze gestalte kunnen krijgen in ons leven om dan licht en kleur te geven die je aan een ander kunt aanbieden, vollere liefde, dieper begrip, mildheid, een beter verstaan, grotere innerlijke ruimte om naar een ander te luisteren. Zo wordt het woord, alle levenservaringen, vlees in ons en kan een tegengeluid zijn zoals dat kind dat was en werd in die man van Nazareth.

“Gij komt van alzo hoge, van alzo veer”
Hoe ver bent U van ons vandaan,
weet U werkelijk van ons,
rust uw oog op ons onder al die miljarden?
Hoe ver zijn wij verwijderd van U,
weten wij iets van U?
Tot in verre stratosferen en tot in het kleinste deeltje
zoeken wij naar betekenis, zin en richting.
Zoeken wij naar U? Zo roepen wij: Dichtbij is God voor wie Hem roepen (lied 145B)

 

Bereiken ze elkaar ooit
onze werkelijkheid en de uwe
waarvan wij toch dromen
waarop wij hopen
die we lastig vinden als die ons dagelijkse bestaan doorkruist
uw werkelijkheid waar we verlegen mee zijn in gezelschap,
geen weg mee weten.
Dat de woorden die we hoorden in ons groeien en vlees worden
in ons handelen. Zo roepen wij:

Heer,
Wij zouden het wel willen uitzingen van vreugde
mèt alle mensen op uw aarde:
ook met wie de mond gesnoerd is
door de bruutheid en de tirannie,
ook met wie het zingen vergaan is
door de pijn en de aftakeling,
ook met wie door niemand gehoord wordt,-
aan wie ieder voorbij gaat.
Maar laat ons dan hier
ook in hun naam,
in naam van allen,
bidden om uw ontferming
en zingen van uw nabijheid,
uw betrokkenheid bij de wereld.
Zo bidden wij:

Voor de OT-lezing: Boom van Jesse

Uit de afgehouwen boom, uit de stronk van Isaï komt een takje voort, Zo horen we in de lezing uit Jesaja 11. Dat beeld staat voor de de hoop die telekens weer wordt omgehakt en waar telkens weer een takje uit te voorschijn komt. Niet uit te roeien, de hoop op een rechtvaardige samenleving. Dat beeld wordt toegepast op het pasgeboren kind Jezus, De hoop in levende lijve. Het woord hoop dat vlees is geworden.
Dat beeld van die stronk van Isaï die uitgroeit in Jezus vinden we al heel snel terug in beeldhouwwerken en schilderingen. Daar zien we Isaï ook wel Jesse genoemd loggen met uit zijn zij een tak die wordt tot een boom met daaraan zijn nakomelingen tot en met Jezus. De boom van Jesse.
We hebben in onze eigen kerk een prachtige afbeelding daarvan. In één van de plafondschilderingen. Die prachtige plafondschilderingen – vorige week nog noemde dr. Luc Megens van de rijksdienst voor het culrtureel erfgoed ze nog de Nachtwacht van Enkhuizen

Verhaal voor de kinderen:
Ze wonen in een oude boerenschuur.
Die wordt niet meer gebruikt, de boer is allang geleden vertrokken.
Maar op de lege graanzolder woont een grote muizenfamilie.
De winter komt, en dan hebben de muizen het druk. Ze verzamelen graan, en stro en noten.
Allemaal werken ze hard mee! Behalve……Jesaja!
‘’Waarom werk jij niet, Jesaja?’’
‘’Ik werk toch, zegt Jesaja, ik verzamel zonnestralen voor de koude,donkere wintertijd!’’
Soms zit hij gewoon wat in de verte te turen. ‘’En nu dan, Jesaja?’’
’’Nu verzamel ik kleuren, antwoordt hij, want in de winter is alles grauw.’’
En af en toe lijkt het wel alsof Jesaja wat zit te slapen.
‘’Droom je soms, Jesaja?’’, vragen ze dan verwijtend.
‘’O nee, ik verzamel woorden. Want de winter is lang en koud,
en dan weten wij misschien niets meer te zeggen.’’
Het wordt winter, het begint te sneeuwen, en te vriezen.
Maar op de zolder van de schuur is het gezellig, en er is genoeg te eten,
en de muizen vertellen elkaar leuke verhalen, en grapjes, en ze zijn vrolijk.
Maar langzaam raakt het eten op…..
Na een tijdje weten ze bijna niet meer hoe koren eruit zag.
Ineens denken ze aan Jesaja, en wat die zei over zonnestralen, en kleuren, en woorden.
‘’Hoe staat het met jóuw voorraad, Jesaja?’’
‘’Doe je ogen maar dicht’’, zegt hij, en dan klautert hij op een grote steen.
‘’Nu stuur ik jullie mijn zonnestralen. Voel je hun warmte, hun gouden gloed?….’’
De andere verkleumde muizen voelen zich al warmer en warmer worden.
‘’En de kleuren, Jesaja, de kleuren?’’, vragen ze ongeduldig.
‘’Doe je ogen maar weer dicht, zegt Jesaja, en dan vertelt hij over de blauwe korenbloemen, de rode klaprozen, en het gele graan.
De muizen zíén de kleuren voor zich, en het is net alsof het zomer is.
‘’En de woorden, Jesaja!’’
Jesaja schraapt zijn keeltje, en dan begint hij voor te dragen:

De winter is zo lang en koud.
En muizen zijn maar klein.
Het valt niet mee, o nee, o nee,
Om nu een muis te zijn.
Maar wij dromen van zonneschijn,
Van graan en beukennootjes;
Daar krijg je warme oortjes van,
En warme muizenpootjes.
Nog eventjes, nog eventjes,
De lente komt er aan!
Dan wordt het weer een leventje
Van zonneschijn en graan!

Als het gedicht uit is, beginnen alle muizen te klappen.
‘’Jesaja, roepen ze, je bent een dichter, niet alleen een dromer, maar een dichter!’’
En Jesaja bloost, en buigt, en zegt zachtjes: ‘’ik weet het…’’
Net als de muizen vinden veel mensen de winter moeilijk. De nachten zijn lang, het is koud en donker. En wie heeft de goede woorden om mensen weer warm te maken, om ze licht en kleur te geven?
Waar is Jesaja, waar zijn de dromers en dichters midden in onze winternacht?…
Morgen zeggen we alweer: ‘’Kerst was gisteren….’’Is er iets veranderd? Voor u?
Je ziekte neem je gewoon weer mee, en je zorgen ook, over de kerstdagen heen, het nieuwe jaar in en hoe zal het verder gaan?
En zal er na Kerst 2018 nu eindelijk eens wat meer vrede op aarde zijn?
Hoevelen leven op de rand van de nacht . Overal in de wereld en ook hier. Voor zoveel mensen is dit juist de moeilijkste, letterlijk maar juist ook figuurlijk de donkerste tijd.
Net als de veldmuizen hebben wij in ons midden ook dichters en dromers nodig of ze nu Jesaja heten of Johannes of Lucas. Wie zijn de profeten van onze tijd? We hebben ze zo nodig in een wereld waarin op alle niveaus de hardste schreeuwers het voor het zeggen hebben. We hebben andere woorden nodig, andere verhalen. We hebben plekken nodig waar mensen die woorden en verhalen verzamelen en koesteren als tegenbeweging tegen alles wat er aan verdeeldheid en haat de wereld wordt ingeslingerd. Volgens een onderzoek van het Sociaal Planbureau betekent de teruggang van geloof en kerk dat er kraters worden geslagen in de maatschappij. Vooral daar waar het gaat om onderlinge verbondenheid en vrijwilligerswerk. Ik denk dat dat je ook kunt zeggen dat we met die teruggang ook plekken verliezen waar je een ander verhaal kunt horen dan wat er over je wordt uitgestort. Het verhaal waardoor je opstaat en mildheid zet tegenover hardheid. Waardoor we blijven verlangen in de duistere berichten van onze dagen naar een land en een leven zonder angst en leugen.
Om te leren dat er uit de afgehouwen boomstronk weer een takje gaat groeien, dat uit de nacht onweerstaanbaar de morgen groeit en de lente uit de winter. Zo zit in elke duisternis een eigen dynamiek. Zo heeft God zijn schepping uitgedacht.
Diezelfde rusteloze dynamiek zit in de mensen: onweerstaanbaar groeit bij elke ongerechtigheid een onbehagen en een weerstand en die wil om eindelijk en voorgoed gerechtigheid te maken. Maar daar hebben we woorden en verhalen voor nodig. Op het gevaar af dat u denkt dat ik mijn eigen toko aan het verkopen ben: we hebben juist nu plekken als deze hard nodig. We zijn niet meer de kerken van vroeger waar je dingen werden opgedrongen. We willen bewaarplaatsen zijn van de verhalen en goede woorden opdat ze gaan leven. Zoals Johannes zegt dat woord vlees is geworden. Wat hebben we ze nodig de profeten, dromers en dichters.
Wie zijn onze profeten, dromers en dichters in deze tijd? Kunnen we het zelf zijn? In onze eigen omgeving?

We vieren de geboorte van Jezus, de Christus, de Zoon. In de woorden van de evangelist Johannes: het woord werd vlees. En daarmee omschrijft hij een proces dat in ieder van ons, elk moment van elke dag, kan plaatsvinden.

Allereerst in Maria, destijds, in Nazareth en Bethlehem. Maria ontvangt het woord Gods. Zij heeft er innerlijke ruimte voor – of maakt die. Zij neemt het woord in zich op, ontvangt het. Het weerklinkt in haar, echoot in haar. Het woord groeit in haar, komt tot ontwikkeling. Het voedt zich met dat waarmee zij zich voedt. En Maria koestert het woord. Zij oefent geduld, net zo lang tot het geboren kan worden, rijp is om vorm te krijgen in deze werkelijkheid. Zij oefent geduld, net zo lang tot het woord vlees kan worden.

Dat kan ook in ons plaatsvinden. Het woord – dat kan van alles zijn. Een woord uit de bijbel of uit een ander boek, de stilte, de natuur, muziek, liturgie, een ander mens, een beeld dat in je opkomt. Maar ook alle levenservaringen; om uitersten te noemen: intense liefde en vreugde, intense pijn en lijden. Al die woorden worden in ons gesproken. Al die woorden kunnen in ons weerklinken. Al die woorden zouden we in geduld kunnen dragen om ze tot ontwikkeling te laten komen. Net zo lang tot ze geboren kunnen worden, vlees kunnen worden. Net zo lang tot ze gestalte kunnen krijgen in ons leven om dan licht en kleur te geven die je aan een ander kunt aanbieden, vollere liefde, dieper begrip, mildheid, een beter verstaan, grotere innerlijke ruimte om naar een ander te luisteren. Zo wordt het woord, alle levenservaringen, vlees in ons en kan een tegengeluid zijn zoals dat kind dat was en werd in die man van Nazareth.

“Gij komt van alzo hoge, van alzo veer”
Hoe ver bent U van ons vandaan,
weet U werkelijk van ons,
rust uw oog op ons onder al die miljarden?
Hoe ver zijn wij verwijderd van U,
weten wij iets van U?
Tot in verre stratosferen en tot in het kleinste deeltje
zoeken wij naar betekenis, zin en richting.
Zoeken wij naar U? Zo roepen wij: Dichtbij is God voor wie Hem roepen (lied 145B)

Bereiken ze elkaar ooit
onze werkelijkheid en de uwe
waarvan wij toch dromen
waarop wij hopen
die we lastig vinden als die ons dagelijkse bestaan doorkruist
uw werkelijkheid waar we verlegen mee zijn in gezelschap,
geen weg mee weten.
Dat de woorden die we hoorden in ons groeien en vlees worden
in ons handelen. Zo roepen wij: Dichtbij is God voor wie Hem roepen 

God we kunnen zo twijfelen
komt er nog wat van:
uw komst, uw koninkrijk?
Het is zo moeilijk vol te houden
met alleen een takje , een twijgje
groeiend die steeds weer afgehouwen boom
met de kleine goede dingen die zo vaak onzichtbaar blijven
maar toch als een sapstroom onzichtbaar ons voeden. Zo roepen wij: Dichtbij is God voor wie Hem roepen 

En toch, en toch
klinkt ook uw roep en vindt steeds weerklank in ons bestaan,
zijn wij uw klankbodem
zoals U de onze bent.
Daarom blijven wij elk jaar in deze tijd
ons extra richten op uw komst in ons bestaan
op de dag dat uw werkelijkheid de onze wordt.
Tot die dag blijven wij bidden:
Om liefde voor wie haten
om vreugde voor wie verdrietig zijn
om vrede voor wie elkaar het licht niet gunnen
om lankmoedigheid voor wie geteisterd zijn door ongeduld
om vriendelijkheid voor wie vijanden zijn geworden
om mildheid voor wie fanatiek zijn in hun overtuiging
om trouw voor wie vergeten zijn wat zij ooit beloofden
om zachtmoedigheid voor wie verhard zijn en koud
om zelfbeheersing voor wie hun drift niet meer betomen. Zo roepen wij: Dichtbij is God voor wie Hem roepen 

om uw komst bidden wij, uw aanwezigheid
in de levens van wie in het ziekenhuis liggen of in een verpleeghuis
wie vechten om te overleven en voor wie behandelingen ondergaan ,
voor wie te horen hebben gekregen: ‘we kunnen niets meer voor u doen’.
voor wie een geliefde verloren….(stil gebed)

zegenbede

Zegen met Uw licht
onze ogen, opdat zij
opengaan en het goede
zien in elke mens.
Zegen met Uw licht
onze monden, opdat
wij woorden spreken
die goed doen
en vrede brengen.
Zegen met Uw licht
onze handen, opdat
wij ze uitstrekken
naar de mens
die naar ons toekomt.
Zegen met Uw licht
onze voeten, opdat
wij wegen van gerechtigheid
en van zorg om mensen gaan.