Zondag 10 februari * 5e zondag na Epifanie

Esther 4 en Lukas 5:1-11

door ds. H.G. Haandrikman

Welkom

Lied 280: 1,2,3

Psalm 145:1,2

Psalm 145:3

Lezing Esther 4

Lied 900

Evangelielezing: Lukas 5: 1-11klezing uit het

Acclamatie: 339a

‘En zij lieten alles achter en volgden Hem.’ Fascinerend wat hier gebeurt…
Wát beweegt die vissers op het meer om die Stem aan de oever te volgen, om te breken met alles, om alles achter te laten? Alles en iedereen achterlaten voor een woord waar je amper de betekenis en consequenties van overziet?!
Ze voelden zich geroepen en geraakt zodanig dat ze niet eens hoefden te zeggen: mag ik daar even over nadenken.

Het doet me denken aan de demonstraties van scholieren. Er zit iets in van: daar ga ik me voor inzetten. Naast waardering hoor je natuurlijk ook andere commentaren daarop van dat het naïef is en dat ze er een feestje van maken. Dat vind ik jammer. Ik warm mij aan het enthousiasme van jonge mensen. Ze voegen daarmee iets essentieels toe aan hoe we als maatschappij omgaan met dergelijk grote problemen. Als dat er niet is mist er iets essentieels: bevlieging. Oh ja, dat kan soms ongenuanceerde vormen aannemen en zelfs iets fanatieks krijgen maar zonder dat vliegwiel lopen sommige processen traag en verzanden ze in technische of politieke discussies. “Er moet nu wat aan gedaan worden” is de boodschap. En dat is een waardevolle stem in het koor van meningen.

Het heeft te maken met Roeping. Je wordt ergens toe geroepen.
Als je zegt “ik voel me geroepen”, dan is het meestal omdat je je ergens voor wilt inzetten. Waar komt die roep vandaan? Is dat een stem in je binnenste of is het een stem van buiten. Iemand die jou aanspreekt op een houding of een taak. “Ik voel me niet geroepen” lijkt meer op het eerste te slaan: je gaat bij jezelf te rade.

Bij veel van de grote roepingsverhalen in de Bijbel: Mozes, Jesaja, Jeremia. Paulus, is dat de eerste reactie: Ik wil het niet, ik kan het niet. Ook Ester reageert zo.
Er is heel overredingskracht nodig. Bij Mozes is het God zelf die hem overhaalt door broer Aäron als woordvoerder naar voren te schijven als Mozes zegt dat hij slecht kan spreken en waarschijnlijk het tegenovergestelde bij de Farao teweeg brengt. Bij Ester is het Mordechai die die rol vervult in dit boekje waarin God niet lijkt voor te komen. Hoewel er in dit hoofdstuk een zinnetje voorkomt waarin iets van goddelijke inbreng wordt gesuggereerd als Mordechai zegt: “wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze”. Heel subtiel wordt hier een onmogelijke mogelijkheid open gehouden. En misschien is dat wel een soort beschrijving van wat geloven is: “en toch”. En toch zou er een verder zijn. Het “en toch” van het wandtegeltje uit onze familieboerderij waar ik wel eens over heb verteld. De familieboerderij die in de vorige eeuw twee keer afbrandde en twee keer werd dat tegeltje in de as terug gevonden.
Geen vastomlijnd geloofssysteem van zekerheden, maar de ruimte openhouden. Zulke momenten kunnen ook wij in ons leven meemaken. Dat je denkt: is dit nu toeval? Waarom ik, waarom nu? Heeft God er een bedoeling mee. Houdt God hier een ruimte open waarin iets kan gebeuren? Dat weet je maar zelden zeker. De enige manier om dat te ontdekken door er op in te gaan, het tot je toe te laten, de kans die je krijgt aan te grijpen. Zo lang je dat niet doet blijf je in onzekerheid steken…

Dat wordt hier van Esther gevraagd. Voelt ze zich geroepen? Gaat ze er op in?
Eerst niet. Het overviel haar.
Zo kan het iedereen overkomen. Je krijgt een telefoontje. Of iemand staat onverwacht op je stoep. Je merkt aan de toon dat er iets is, iets ongewoons. “Heb je even..? Kan ik je even spreken?” Ja natuurlijk, zeg je. Zullen we even gaan zitten en je hart slaat al een slag over omdat je de intensiteit van het moment voelt. En binnen een paar seconden komt een nieuwe realiteit je leven binnen en je weet diep van binnen dat dit gesprek de rest van je leven zal bepalen.
Zoiets overkomt Esther.
Ze was niet op de hoogte. Afgeschermd levend in het paleis. Zo geïsoleerd leeft zij blijkbaar. En in één flits moet zij de verandering doormaken van een nog argeloos meisje naar een vrouw die álles weet en die ook weet wat haar te doen staat, op dit geladen moment in de geschiedenis van het Joodse volk. Wat staat hier niet op het spel…?
Wat Mordechai van haar vraagt is het onmogelijke. Wat hij wil, dat kan toch helemaal niet? Ook al was de koning haar man, zomaar op hem afstappen dat was er niet bij aan het hof van de koning van de Meden en Perzen. Als je dat deed, dan kostte je dat de kop. Tenzij… de koning je zijn gouden scepter aanreikte. Maar die kans was uiterst klein. Kennelijk was zijn voorkeur niet bij Ester maar bij andere vrouwen. Hatach laat aan Mordechai weten hoe Ester er over denkt maar Mordechai reageert koel. Dat zij niet moet denken dat zij als enige de dans zou kunnen ontspringen. Vergeet dat maar!
Ze weet nu wat er aan de hand is. Stopt ze het weg, redeneert ze het weg, zegt ze daar kan ik als klein mensje niets aan doen, dat zijn te groet krachten, dat moeten anderen oplossen.
We herkennen het mechanisme allemaal. We kunnen ons niet meer onwetend houden over wat er speelt in de wereld. Met de scholieren mee weten wij ook dat, om het in de woorden van Trouw-columnist Ephimenco te zeggen, de egomens zijn vernietigende gulzigheid hoe dan ook zal moeten matigen om zijn leefomgeving te behouden.

Misschien vindt u het wel een erg grote sprong van het beroep dat Mordechai op Ester doet naar de roep vanuit de jongeren die hun toekomst bedreigd zien. Toch gaat het in beide verhalen om toekomst. Centraal daarbij is die tekst: “wie weet ben je juist koningin geworden met het oog op een tijd als deze”. Dat was toen maar wordt dit ook niet ons voorgehouden: wie weet ben jij er nú juist met wat jij bent.

Wat kunnen we betekenen met wie we zijn en wat we wel en niet kunnen. Wat kon Ester, wat had ze? Wat had ze niet? Ze was mooi, ze had een hoftraining gehad, ze had een zeer principiële neef. Wat ze niet had was: zeggenschap over haar eigen leven, geen veiligheid tegenover de krachten die het op haar volk en dus op haar hadden gemunt. Ze had geen echte intimiteit met haar echtgenoot. Dan ben je geneigd dat laatste de doorslag te laten geven.

Wat kunnen wij? Wij kunnen dingen, wij kunnen dingen niet. Misschien ben je heel intelligent, misschien niet en heb je juist een heerlijk ontspannen gevoel dat je niet altijd de slimste mens hoeft te zijn. Misschien je mooi, misschien niet zo en ben je juist vrij van alle verwachtingen die dat met zich mee brengt.
Misschien ben je een stabiel gezin opgegroeid en weet je het belang van vertrouwen en veiligheid. Misschien heb je juist het tegenovergestelde meegemaakt en weet je wat onveiligheid en angst betekenen, en met die ervaring beter begrijpt hoe een mens in paniek kan raken van het leven.

Als we nadenken over wie we zijn en wat we kunnen, wie we niet-zijn en wat we niet kunnen. En als we dan eens kijken naar onze eigen leefwereld. Bedenk dan eens hoe vaak en op hoeveel manieren je jezelf machteloos voelt, het niet –kunnen de doorslag laat geven. Net als Esther toen.
De keren dat je dacht of zei: wat er nodig is in deze situatie, in de wereld dichtbij en veraf en dan… hoeveel keren je niet dacht daar kan ik of wie dan ook niets aan veranderen.
En dan word je op je schouder getikt door die vermoeiende Mordechai die tegen je zegt: wie weet ben jij er juist op deze plek op dit moment met het oog op een tijd als deze. De woorden die hij tegen Ester zei.
Wie weet kun je juist met wie je bent en niet bent, met wat je kunt en niet kunt, jouw heel eigen ervaringen en gaven iets doen wat niemand anders kan, er zijn zoals niemand anders er kan zijn.

We vragen waar God in dit boekje te vinden is. We vragen waar God in ons leven te vinden is.
“Wie weet…, jij in deze positie…” Verborgen gaat Hij zijn weg, door mensen heen die met vallen en opstaan moeten ontdekken wat hen te doen staat. En zo, in die broze mensen, is God aanwezig, trekt Hij zijn spoor. Tikt ons af en toe als Morchechai op onze schouder: nu jij.. maar ik ben erbij.

Lied 531

Psalm 138:1,4

Zegen

Lied 978:1 en 4