Zondag 10 november * 8e zondag van de Herfst

2 Samuël 5: 6-12 en Lukas 19: 41-48

door ds. H.G. Haandrikman

Lied 207
Bemoediging en drempelgebed
psalm 85: 3 en 4
Gebed om ontferming
Glorialied 279

Twee lezingen over Jeruzalem. Vorige week hoorden we hoe hij huilde over de dood van Saul en Jonathan. Nu is de tijd er dat hij als gezalfde koning zijn plaats inneemt. We lezen vandaag hoe David deze plaats kiest als zijn residentie. Een hoopvol begin na een tijd van chaos.
En we lezen hoe Jezus huilt bij het zien van Jeruzalem om wat die stad te wachten staat.
Jeruzalem heeft de pech dat het voor de drie grote monotheïstische religies – jodendom, christendom en islam – een heilige stad is. De ‘kinderen van Abraham’, (door alle drie erkend als de gezamenlijke stamvader) staan niet bekend om hun verdraagzaamheid, zodat conflicten voorgeprogrammeerd lijken. Maar ook voordat het christendom en de islam hun opwachting maakten was er al veel geweld.
Een tijdje geleden las ik de biografie van Jeruzalem, geschreven door Simon Sebag Montefiore, een Britse journalist en historicus. Hij voert je langs een onvoorstelbare hoeveelheid conflicten.
Er zijn wat tranen gevloeid over Jeruzalem. Talloze malen is het belegerd en verwoest en uitgemoord.
Jezus’ tranen over Jeruzalem waren niet de eerste.
Jeremia en Klaagliederen, ook aan hem toegeschreven, gaan al over de vernietiging van Jeruzalem. Het boek Jeremia voorspelt het en Klaagliederen kijkt erop terug. Klaagliederen is een rouwklacht, een begrafenislied, geschreven voor het gevallen Jeruzalem.
Jezus’ tranen over Jeruzalem waren ook niet de laatste. Tot de huidige dag verdeelt het mensen en bevolkingsgroepen tot op het bot. Bovendien krijgen de conflicten een extra dimensie omdat Jeruzalem zo’n enorme symbolische betekenis heeft. Het gaat om meer dan onderlinge menselijke strijd. Jeruzalem staat voor meer dan een concrete stad.

2 Samuël 5: 6-12
psalm 78: 1, 24,25

Lukas 19: 41-48
137b (3x)

Preek
Als de beroemde rabbi Baäl Sjem ’s nachts op bed lag, hoorde zijn hart dikwijls het verre roepen van de nood van de wereld en het geklaag van de volkeren in de diepte. Maar op een nacht was het alsof het verre Jeruzalem van heel dichtbij riep. Het vroeg het hem, te komen om het land te zegenen. Vanaf die nacht bad de Baäl Sjem tot God om verlof om naar Jeruzalem te reizen. Maar God antwoordde hem elke nacht dat hij in zijn eigen Oekraïense dorp moest blijven, om alles te doen waartoe hij daar geroepen was. Zo streden twee stemmen in zijn ziel: die van het bijbelse land dat aan hem bleef trekken, en die van God die hem niet liet gaan. Maar de roep vanuit Jeruzalem overstemde allengs het woord uit de hemel, en zo besloot de Baäl Sjem om op reis te gaan.
Samen met zijn leerling rabbi Tsvi de Schrijver vertrok hij. Tijdens hun eerste overnachting begon de grond te beven, alsof de aarde eindelijk wakker werd uit haar doodsslaap, en uit de diepte kwamen stemmen die juichten, omdat de Baäl Sjem op weg was gegaan om het oude Jeruzalem te zegenen.
Maar terwijl ze verder reisden en rabbi Tsvi opgetogen sprak over hun reisdoel, werd de Baäl Sjem steeds stiller. Hij hoorde iedere nacht de hartstochtelijke en hoopvolle stemmen uit de aarde, maar de stem van God uit de hemel hoorde hij niet meer, en dat beklemde hem. Zwijgend reisde hij alle dagen, totdat ze op een avond aan de oever van de zee kwamen. In de zwoele nacht sliepen ze op het strand, hopend dat ze de volgende morgen een schip zouden vinden dat hen naar het heilige land zou brengen. In die nacht droomde de Baäl Sjem. Hij en Tsvi waren op volle zee, in een scheepje zonder roer, met een vlammend rood en geel zeil. Het scheepje werd door wind en golven heen en weer geslingerd, de hemel was gesloten en de Baäl Sjem voelde dat zijn hart leeg was. Pas toen hij zonder hoop ging liggen in het schip, kwam eindelijk weer de stem van God, steeds krachtiger, en in die stem verdween het razende geweld van de storm.
Toen ze ’s morgens wakker werden, lagen ze doorweekt als drenkelingen op het strand. Ze stonden zwijgend op. Ze zochten geen schip naar Jeruzalem, maar begonnen aan de terugweg naar hun eigen land, de plek waar God door hen gediend wilde worden. Na uren lopen waren hun kleren opgedroogd in de zon. Rabbi Tzvi keek op naar zijn meester en zag dat het oude vuur weer terug was in zijn ogen.
Waar ligt ons Jeruzalem?

Als David Jeruzalem inneemt, bestond de stad al eeuwen. Al in de veertiende eeuw voor Christus vinden we een tekst waarin gesproken wordt over Urusalim, stad van de vrede. En later wordt het Jeruzalem, een samentrekking van het woord ‘jire’, dat betekent ‘de Heer zal zien’ èn het woord ‘sjaloom’: vrede.
Daar wordt dus al die gedachte, het visioen van de vrede verbonden aan die plek. Die merkwaardige tegenstelling die de hele geschiedenis door met Jeruzalem mee zal lopen: dat zal de plek van de ultieme vrede zijn terwijl juist daar zo ontzettend veel bloed is gevloeid en het juist daar de meest onmogelijke plek lijkt waar vrede mogelijk is.
Al heel vroeg is dat de plaats geworden die men zag als waar God zich aan had verbonden. Daar loop, zou je kunnen zeggen, in het besef van talloze gelovigen de navelstreng die God en de wereld verbindt.
Het heeft te maken met heiligheid. De ultieme heilige plek, waar hemel en aarde op elkaar betrokken zijn, God en mens in harmonie, die zo gauw als die wordt geclaimd als: die plek is van ons, van ons geloof, verkeert in zijn tegendeel: Jezus huilt bittere tranen omdat de mens zich zover van God heeft afgewend in een verworden geloof dat God meent voor zijn eigen karretje te kunnen spannen. Eigenbelang, macht met de vlag van God erop geplant. Je vindt het de hele geschiedenis door over heel de wereld maar als het daar gebeurt krijgt het een extra lading. En we weten ook dat die navelstreng een lont in een kruitvat kan zijn die wereldwijde consequenties kan krijgen. Een bijzonder beladen stad, juist ook door die symbolische betekenis, juist om de enorme hoop en verwachting en verlangen die aan de stad zijn gekoppeld. ‘Volgend jaar in Jeruzalem’, Ieder jaar bij Pesach wordt deze wens uitgesproken: een sterke wens, gevoed vanuit een diepe tragedie. Dit feest en deze maaltijd drukt misschien wel het best uit wat het diepste verlangen is van het Joodse volk. Rust, vrede, veiligheid, een thuis met kinderen en ouderen samen in harmonie.
Heel concreet in al die eeuwen van vervolging en bedreiging, ook nu weer. Het is ongelooflijk dat telkens weer dat antisemitisme de kop op steekt.
Heel concreet maar het heeft ook een ruimere geloofsbetekenis, het verlangen naar een andere manier van samenleven, voorbij aan de ik-gerichte manier van leven, voorbij ook aan alles wat het leven zwaar maakt. Zo vindt dat verlangen zijn weg ook heel duidelijk in onze christelijke traditie. Misschien wel het duidelijkst in de talloze en vaak zeer geliefde liederen over Jeruzalem.
Niet de concrete stad waar ontzettend veel op aan te merken is, maar de stad zoals ze was in Gods oog, zoals ze eens zou zijn. De stad van de Sjaloom.
Daarheen onderweg te zijn als pelgrims, dat is onze roeping. Maar ook om concreet hier en nu stenen aan te dragen voor die samenleving. Jeruzalem als symbool roept ons daartoe op en ook om dat visioen levend te houden. Waar ligt ons Jeruzalem? Ook dat is onze roeping. ‘Zoals al in het boek Spreuken staat: “Zonder een visioen valt een samenleving uit elkaar. Raken mensen ontheemd en elkaar kwijt. Wie kan leven met een lege toekomst?

Toen David Jeruzalem veroverde was dat om een goede regeringsplek te hebben waaruit hij het noordrijk en zuidrijk bij elkaar kon houden. Het ligt er precies tussenin en is dus neutrale grond.
Maar in hoe het opgeschreven staat klinkt ook die diepere en bredere betekenis van Jeruzalem door. Ik weet niet of het u is opgevallen maar de toenmalige bewoners, de Jebusieten zeggen dat David er niet inkomt omdat de lammen en de blinden hem zullen verjagen. Is het grootspraak van de bewoners, zijn ze zo zeker van de onneembaarheid van Jeruzalem? David verovert de stad vervolgens heel simpel met zijn kleine legertje via de watertoevoer. Hij zegt dan vervolgens dat hij de lammen en de blinden veracht en dat die het huis niet binnen zullen komen. Merkwaardig, absurd, waarom zou David de lammen en de blinden haten. Waarom zou hij zich dat zo aantrekken? Die lammen en blinden kunnen daar toch zelf niets aan doen dat zo naar voren worden geschoven. Doorziet David dat niet? Hier past barmhartigheid. Het zijn nou juist diegenen waar later de Davidszoon bij uitstek, Jezus, zelf zoveel aandacht voor heeft, en zelfs zegt dat zij voorop zullen gaan in het huis van de Heer. Een hoofdstuk hiervoor ontfermt David zich nog over Mefiboset, een jongen die mank was aan beide voeten.
Ik denk dat in deze vertelling iets anders is verstopt en één van de psalmen van David geeft daar de sleutel voor. Misschien worden met die lammen en blinden geen mensen bedoeld. In psalm 115 lezen we: “hun afgoden hebben ogen, maar zien niet, voeten maar lopen kunnen ze niet”. In zijn psalm beschrijft David afgoden als blinden en lammen. Díe komen er niet in, die moeten verwijderd worden.
Als wij onszelf beschouwen als pelgrims naar Jeruzalem, hoe vaak en hoe gemakkelijk laten wij ons dan afbluffen door allerlei zaken zonder visie, zonder visioen, door datgene wat ons tegenhoudt om op weg te gaan en ons verlamt?
Hoeveel afgoden roepen ons toe dat we er niet in komen, Wat is er een weerstand tegen veranderingen die ons iets kosten ten behoeve van een andere manier van samenleven die recht doet de schepping. De hele stikstofdiscussie is daar een voorbeeld van. Ongelooflijk complex, en ik pretendeer geen oplossing te hebben en we hebben allemaal boter op ons hoofd door onze manier van leven, maar wat komt daar toch een diepe weerstand naar boven als het onze manier van leven aantast.
David kwam via de bron Jeruzalem in. Zo zijn wij als wij hier samenkomen ook op zoek naar de bron om, door alle weerstand om ons heen en in ons, Sjalom te vinden. Waar ligt ons Jeruzalem?

Het is een lange weg naar Jeruzalem. En wat zijn er veel liederen die ook daarover zingen.
Mooi dat een hele rubriek van het Liedboek gaat over de levensreis als pelgrimsreis. Daarin bekende als: “Door de nacht van strijd en zorgen trekt de stoet der pelgrims voort”, maar ook weer nieuwe, als ‘Wij trekken steeds verder, voetje voor voet, soms lood in de schoenen, soms vleugels van licht en zo gaan wij verder, steeds verder en verder, zo trekken wij de horizon open.
En het lied dat we nu willen zingen. Het laatste lied in het Liedboek.

Lied 1016

Gebed

Collecte

Lied 825:1, 4,5