zondag 11 april * zondag Quasi modo geniti * mevr. Thelma Schoon *

Orgelmuziek

Mededelingen ouderling, ontsteken kaarsen

Stilte

LIED 175: ‘Wij hebben een sterke stad’

Groet en bemoediging

Drempelgebed:

v: Eeuwige, onze God,
wij die U nooit hebben gezien, –
zie ons hier staan.

Wij die van U hebben gehoord, –
hoor Gij ons aan.

Uw Naam is dat Gij mensen helpt, –
wees onze hulp,

en dat Gij alles hebt gemaakt, –
maak alles nieuw,

en dat Gij ons bij name kent, –
leer ons U kennen,

die Bron van leven wordt genoemd, –
doe ons weer leven,

die hebt gezegd: Ik zal er zijn, –
wees hier aanwezig.

Zo bidden wij, door Jezus Christus, onze Heer
Amen

Lied 62b (3x)

Vertaling: Mijn ziel vindt rust en vrede bij God alleen, mijn heil komt van Hem. Ja, bij God alleen vindt mijn ziel rust en vrede.

Kyriegebed

Gloria LIED: 634 ‘U zij de glorie’

Gebed van de zondag

Eerste lezing: Jesaja 26:1-13

Antwoordpsalm LIED 111: 1, 2

Halleluja

Evangelielezing: Johannes 20 (19) 24-31

Acclamatie Lied 339a: ‘U komt de lof toe’

Preek

Lieve gemeente,

Als klein meisje zag ik in deze kerk elke week hoe mijn moeder de Zegen van Aäron uitsprak. Thuis maakten we er vaak een grapje van hoe zij dat altijd op precies dezelfde manier aankondigde. Dat ging dan zo: ‘’We leven in een ritme van 7 dagen. Maar eens wordt de zevende dag niet opgevolgd door de eerste, maar door de achtste dag. De dag van de komst van de Messias. Naar die dag zijn wij samen op reis.’’

Die achtste dag staat voor de nieuwe schepping. Het cijfer 8 heeft in het jodendom een bijzondere betekenis: het staat voor het opstandingsleven. Het komt veel voor in de Bijbel en ook in het evangelie van Johannes, waar we vandaag uit lazen. Zo staan er acht wondertekenen van Jezus beschreven. Vandaag is het de achtste dag van Pasen.

U dacht misschien dat het na Tweede Paasdag afgelopen was en deze zondag de 1e zondag ná Pasen is, maar nee: het is de tweede zondag VAN Pasen. Het is vandaag Beloken Pasen. Van oudsher worden dopelingen in de veertigdagentijd voorbereid op hun doop, die in de paasnacht plaatsvindt. Daarna werden zij een week lang ingeleid in de grote geheimen van het geloof. En op de achtste dag legden zij hun doopkleed af. En in de Middeleeuwen werden op deze dag de altaarstukken waarop de heerlijkheid van Christus werd afgebeeld weer gesloten. De luiken gingen weer dicht.

Het voelt toch een beetje gek. De Heer is verrezen, de dood is overwonnen, het nieuwe leven begint en het wordt stil. De luiken gaan weer dicht, de deur gaat weer op slot.

En dat contrast voelen we misschien juist met Pasen, hét feest dat gaat over de kern van ons geloof, dat we dit jaar wederom digitaal hebben moeten volgen.

Jezus verschijnt in al die beslotenheid: aan Maria, die hem herkent aan zijn stem. Aan de Emmaüsgangers die hem herkennen aan het breken van het brood. Aan de leerlingen en nog eens aan Thomas, die hem herkent aan zijn wonden.

Het nieuwe leven begint in alle kwetsbaarheid, in het klein.

In de lezing van vandaag verschijnt Jezus voor de tweede keer aan zijn leerlingen. De eerste keer was Thomas er niet bij. Waarom eigenlijk niet? Het verhaal kan heel verschillend worden uitgelegd. Was Thomas de grote twijfelaar? De ongelovige? Het verloren schaap waarvoor Jezus speciaal nog een keer langs moest komen? De énige die fysiek bewijs nodig had om te geloven dat Jezus wel écht was opgestaan? En zijn wij dan niet allemaal Thomas? Kunnen wij vaak ook niet pas écht beamen dat we geloven als we wetenschappelijk bewijs zouden hebben?

Ik heb moeite met die negatieve uitleg van het verhaal. Vooral omdat het juist Thómas was die erbij was toen Jezus zijn vriend Lazarus opwekte. Hij heeft toen met eigen ogen gezien dat de dood verslagen kon worden. Waarom wordt híj dan nu juist als ongelovige beschreven?

Johannes geeft een hint. Hij beschrijft de naam van Thomas: Didymus, oftwel: Tweeling.

Een naam duidt in de Bijbel nooit op ‘zomaar’ een karaktertrek maar op een bestemming: op de rol die iemand speelt in Gods heilsgeschiedenis. Thomas staat als ‘tweeling’ voor de dialectiek. Hij is het tegenwicht wanneer het verhaal te eenzijdig dreigt te worden.

Waarom was Thomas er de eerste keer niet bij? We weten het niet.

Bij die andere opwekking, die van Lazarus, was hij er dus wel. En híj was het die voorafgaand tegen Jezus en de anderen zei: ‘’Laat ons dan gaan, opdat wij met hem sterven’’. Thomas wist dat opstanding niet zonder sterven gaat. Hij wist dat Jezus volgen betekent volgen tot het bittere eind. Hij is het tegenwicht in het verhaal: wanneer het over opstanding gaat, benadrukt hij het sterven.

Toen Jezus de eerste keer aan zijn leerlingen verscheen zagen zij de opgestane heer. Zij werden daarmee zelf als levenden. Thomas was er niet bij, hij is weer het tegenwicht; hij is nog als een dode.

Thomas neemt het kruis, de dood, serieus. Daarom moét hij de wonden, de tekenen van het sterven, zien met zijn eigen ogen. Om te geloven dat de opstanding niet voorbij is gegaan aan die dood. Want een levende heer zegt de doden niets wanneer hij niet ook zelf door de dood is gegaan.

Jezus nodigt Thomas uit om de wonden aan te raken. In die wonden herkent Thomas Christus. In de wonden ontmoet hij God.

Wat betekent dat?

Thomas Halik, een tsjechisch priester, schreef er een boekje over: ‘’Raak de wonden aan’’, waarin hij schrijft dat het verhaal niet gaat over ‘fysiek bewijs willen hebben voor de opstanding’, maar over het ontmoeten van God in het lijden.

Dat betekent niet dat God altijd te vinden is ín het lijden. Er zijn zoveel mensen die vanuit de diepte God aanroepen en geen antwoord krijgen. Zelfs Christus schreeuwt zijn verlatenheid uit aan het kruis. Het ontmoeten van God in de wonden betekent geen verheerlijking van het lijden zelf. Nee,  het ‘’Raak de wonden aan’’ is een opdracht, aan Thomas en aan ons als kerk. Een opdracht om de mensen die pijn hebben, beschadigd zijn, niet te vergeten. De kerk viert Pasen als zij niet alleen aan de grootsheid van Pasen denkt, de opstanding, maar ook aan het kwetsbare van hen die lijden.

God is geen blinkende supergod van winnaars, het is een God die met ons is en meegaat, tot in de diepste duisternis. In de paasjubelzang klinken het lijden van Goede Vrijdag mee, maar het voert niet meer de boventoon. De wonden van christus zijn geen bewijs voor de opstanding, maar het bewijs van de uiterste consequentie van Gods liefde voor ons. De verrezen Heer is dezelfde als de gekruisigde. Die waarheid opent Thomas de ogen en hij roept uit: Mijn Heer! Mijn God! Dat is een regelrechte belijdenis.

Het geheim van Pasen, die waarheid, wordt daar aan Thomas geopenbaard. Jezus zegt ermee: Dit is waar mijn verwoesting is geëindigd. Het puinruimen begint. Wees niet langer ongelovig.

Dat is geen gemene uithaal naar Thomas over het feit dat hij niet éérder geloofde. Het is weer een opdracht om het tegenwicht te zijn. Want het zijn de vingers van Thomas die de wonden aanraken, dezelfde vingers als van de Apostel Thomas, die ons de weg moet wijzen. Hij moet ons leren die wonden niet te vergeten in de verkondiging van het goede nieuws. Hij moet ons leren dat de opstanding nooit zonder diepte is.

Die boodschap, zegt Halik, moeten wij goed in de oren knopen. Vergeet het menselijk leed niet, maar raak het aan, want daar ben ik. Wees niet bang, wees niet ongelovig, maar geloof!

En daarbij: ‘’Zalig zij die niet zien en tóch geloven’’. Wij leven in dat woordje ‘toch’.

Geloven is altijd een kwestie van …. en tóch. Het is altijd een moedige stap van hoop, over de grenzen heen van wat we kunnen bewijzen en begrijpen. Twijfel hoort daarbij. Tegenwicht en jezelf bevragen hoort er ook bij.

Ik moest denken aan een boekje van David Steindl Rast, dat gaat over het credo. Veel mensen hebben moeite met het opzeggen van het credo want ‘geloof ik dit nu allemaal ‘écht?’’

Rast schrijft dan dat het woord ‘credo’ afstamt van de woorden ‘cor’, oftwel; hart en ‘dare’; geven. Oftewel: ‘’ik geef je mijn hart’’. Je gebruikt die woorden niet wanneer je wilt zeggen dat je een geloofswaarheid met je verstand aanneemt. Maar dit zijn woorden waarmee je probeert te zeggen dat je vertrouwt op iets wat groot genoeg is om er je hart aan te schenken.’’ Het is een uitdrukking van vertrouwen.

Geloven betekent niet ‘nooit meer twijfelen’. Geloven gaat over ‘en toch’ vertrouwen.

Dáárin standvastig zijn. In het vertrouwen en verlangen naar God.

Voor hen zal er vrede zijn. Jezus wenst het de leerlingen tot driemaal toe: Shalom, vrede.

Jesaja zingt over de stad van vrede, Jeruzalem, een stad waar de poorten niet dicht zijn, maar wagenwijd open, voor alle rechtvaardigen, alle standvastigen. Voor iedereen die onderdrukt werd, door tirannen of door onrecht EN TOCH op God is blijven vertrouwen en naar hem is blijven verlangen. Voor hen is er vrede.

Ik herinner me van vroeger in deze kerk de Thomasdiensten. Diensten waarin het allemaal iets anders ging dan normaal en waarin er allerlei workshops waren in verschillende delen van de kerk.

We werden uitgenodigd om zelf aan de slag te gaan met het evangelie.

Op dezelfde manier eindigt Johannes dit verhaal. Hij richt zich tot ons als toehoorders: nu is het aan jullie!

Johannes zegt dat hij aan ons niet álle wondertekenen van Jezus beschrijft, maar dat hij ons er genoeg geeft om het te snappen. Hij geeft ons de sleutel. Dit is genoeg om de Schrift te laten leven én om ons te laten leven.

Door standvastig te vertrouwen op de boodschap dat de opgestane God dezelfde is als de God die voor ons mens werd en door de dood heenging, kunnen wij leven. In precies die vrede die Christus ons toewenst. In het nieuwe leven.

De tijd van de oude schepping is een tijd van gesloten deuren en gesloten harten, maar de nieuwe schepping, die achtste dag, dat is de dag van vrede.

Want hij was dood… EN TOCH: hij leeft.

In de naam van de Vader,
de Zoon
en de Heilige Geest
Amen

Orgelspel

Voorbeden

LIED 961 ‘Niemand leeft voor zichzelf’

Stil gebed

Onze Vader

Slotlied: LIED 643: 1-3, 6, 9 ‘Zing nu de Heer! Hij zag ons aan’

Zegen

Uitleidend orgelspel