Zondag 18 november * 25e zondag na Pinksteren

Openbaring 4: 1 en 2; 6b-8; 5: 1-14 en  Marcus 12: 38- 13:2

door ds. Henk Haandrikman

Lied 207
Bemoediging en drempelgebed
psalm 9: 1 en 5
299e

Het boek Openbaring is geschreven in een tijd van ernstige christenvervolgingen.
Eerst onder keizer Nero en, wat later, onder Domitianus. En de meeste christenen hadden de boodschap van het evangelie natuurlijk alleen maar van horen zeggen – net als wij vandaag. Ze hadden het immers niet zelf meegemaakt. En ze moesten het ook maar geloven dat die gekruisigde timmerman uit Nazareth alle macht had. Ze moesten ook maar geloven dat Hij leefde, terwijl niemand Hem zag. En dat terwijl de politie van Nero ze bij elkaar dreef ! Paulus en Petrus overleefden het niet en vele anderen met hen. De schrijver van het boek Openbaring, Johannes, werd als oude man naar het eiland Padmos verbannen – daar kreeg hij zijn visioenen. Daar schreef hij ze op.
Het is een boek vol schrille contrasten en met beelden die we niet zomaar begrijpen. Meer dan bij andere Bijbelboeken vraagt Openbaring om een leeswijzer. De symboliek moet worden uitgelegd en toegelicht. Het is een boek waarin je makkelijk kunt verdwalen en waarmee je even makkelijk mee aan de haal kunt gaan.
In het 4de hoofdstuk wordt een schildering gegeven van Gods troonzaal. In die troonzaal staan vertegenwoordigers van de hele schepping – mens en dier zijn aanwezig in één voortdurende lofzang en in aanbidding van de Eeuwige.
Een visioen zoals ook Ezechiël en Daniël ze hadden en ook in latere tijd zoals Hildegard von Bingen…
Je kunt dit soort teksten, apocalyptische teksten, lezen als een voorspelling van hoe het er in de eindtijd aan toe zal gaan. Als we het in de kerk lezen, dan meestal ook in deze periode, in de maand november, op de zogenaamde zondagen van de voleinding. Dat voedt het vermoeden dat het in Openbaring over de laatste dingen gaat.
Sommige mensen hebben een bijzondere fascinatie voor de eindtijd, ook buiten de kerk. Dat zie je terug in hedendaagse rampenfilms of in bepaalde computerspelletjes. Het kan niet bizar genoeg zijn.

Ze zijn niet zomaar te begrijpen, ze lijken donker en onheilspellend maar ten diepste voeden ze de hoop.
Vandaag lezen we over een blik in Gods regeringscentrum en gaat het over een boek. Een verzegeld boek – het boek van kennis en begrip, het boek van de toekomst. Blijft alles zoals het is? Of wordt alles toch nieuw?

Openbaring 4: 1 en 2; 6b-8; 5: 1-14

Lied 405

Marcus 12: 38- 13:2

Lied 833 (3x)

Preek
Blijft alles zoals het is? Of wordt alles toch nieuw? Nou, zegt de Openbaring dat hangt er nog maar om! Want, dat boek zit potdicht. En er is ook geen uitzicht dat het opengaat. Niemand is in staat het open te maken – niemand kan de impasse doorbreken. En als dat zo blijft, dan blijft inderdaad alles zoals het is. Onrecht en machtsmisbruik -ze kunnen rustig hun gang gaan. En met een gesloten boek zal dat ook zo blijven, zal het altijd zo blijven. Ook God kan daar niets aan doen.
Johannes reageert geschokt. Is het dan allemaal voor niets geweest? Waar Jezus alles voor heeft gegeven: het doorbreken van een nieuwe tijd? Is dat dan een illusie?
Maar dan grijpt één van de aanwezigen in: “Wees niet verdrietig, Johannes, want, gelukkig, daar is die Leeuw uit de stam van Juda – die Davidszoon – die kan het. Die krijgt het boek in handen en gaat het openmaken. Er is toekomst !”

Nou, zouden wij zeggen, dat klinkt eindelijk eens naar krachtig ingrijpen! Een Leeuw, een sterke man. De roep klinkt nu weer alom en zo zien we ze verschijnen, de sterke mannen. Hoe actueel wil je het hebben?
Als een leeuw het boek opent – als een leeuw de leiding krijgt, dan is er hoop. En Johannes, hij speurt die hele zaal af naar die Leeuw uit Juda’s stam. En hij kijkt nog eens maar er is geen krachtpatser te bekennen. En hij kijkt nog eens, en dan ziet hij wel iets anders. Het is een lam en dan nog wel een zieltogend lam. Een lam met bebloede kop. Iets zwakkers, iets kwetsbaarders kun je je niet voorstellen. Je blaast er naar en het valt om. En tot zijn stomme verbazing krijgt dat toonbeeld van zwakte het boek in handen. En tot zijn nog veel grotere verbazing breekt dan die hele bijeenkomst in een oorverdovend gejuich uit. De ene ovatie na de andere – het gaat maar door, duizenden doen er aan mee. Dat stervende lam wordt ingehaald als de grote overwinnaar. De hele schepping doet aan het lied mee. “En ik zag en zie: In het midden van de troon een lam staande als geslacht” Geen leeuw maar de prooi van een leeuw.

Wat is geloven dan toch moeilijk. Kan dat nou werkelijk op tegen de Nero’s van de wereld?
Kijken die niet alleen maar geamuseerd toe om vervolgens gewoon door te gaan? Want wat moet zo’n lam ?
We zitten zo vast in machtsdenken waarvan de kiem, in jezelf, in mezelf ligt, dat we niet kunnen vatten dat een lam het laatste woord heeft en daarom dat boek niet kunnen openen.

In die troonzaal is daar geen twijfel over. Dat wordt ons toegeroepen uit Openbaring 5. Dat werd de jonge Kerk toegeroepen, een Kerk in de crisis met de politie van Nero op de stoep. een kerk die zich afvroeg waar God nou eigenlijk was en wat God eraan deed. U en ik, we zullen het telkens weer moeten leren dat God er alleen is als een geslacht lam, als een prooi van alles wat zich sterk noemt. Geen krachtige ingreep van bovenaf, maar het kleine vanuit de basis, van u en van mij.

Eigenlijk vertelt het verhaal niets nieuws. De bijbel staat er vol van. Eens vroegen de Farizeeën om een teken, om een krachttoer. “Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken”, zei Jezus, “en het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona” . Alleen het teken van ondergang en lijden en loutering totdat je rijp bent voor het Koninkrijk. En de discipelen vroegen Hem eens wie wel de belangrijkste was in het Godsrijk. “Wie van u de meeste is zal aller dienaar zijn”, zei Jezus. En als de profeet Elia uitgeput en afgeknapt voor God verschijnt ervaart Hij de Eeuwige niet in vuur en wind en aardbeving – niet in de krachtpatserij – maar in het suizen van een zachte koelte. “Als ik zwak ben dan ben ik sterk”, zegt Paulus ergens. Alles gaat op zijn kop als Gods regels gaan gelden. Ja, mijn hele denken moet omkeren.

Het gaat via kribbe en kruis.

Het is wel even slikken. De gemeente zal er erg aan moeten wennen – het maakt het leven er niet eenvoudiger op. De politie van keizer Nero ging er echt niet voor opzij. Maar de jonge Kerk heeft dat opgepakt – ze heeft begrepen wat de Weg van het Kruis betekende.

De grote vraag in de geschiedenis van geloven is of wij het ook oppakken en doorgeven. Zo vaak is dat misgegaan. De Kerk heeft o zo graag aan machtsdenken gedaan Er is een Inquisitie geweest, we hebben kruistochten gehad, en ruzies en scheuringen. Komt er weer een scheuring door die onzalige discussie over zegenen of inzegenen van een homohuwelijk? Ze mogen mij aanwijzen waar het woord inzegenen in de Bijbel staat. Zegenen des te meer. En als mensen er zijn voor elkaar als zegen – hoe dan ook – kan er niet genoeg gezegend worden.

Het boek Openbaring gaat over onveiligheid en bedreiging die de gelovigen treft. Het kan toch niet zijn dat de kerk zelf een onveilige plek is..? Waar de éen meer telt dan de ander…?

Het boek wordt geopend door de kwetsbare. Door degene die begrijpt hoe Gods weg niet gaat via ons machtsdenken.
Dat is niet eenvoudig. Zeker niet in een situatie waarin je vervolgd wordt. Zouden we hier ook zitten als het riskant was? Als ik een risico liep als volgeling van een geslacht lam?

Hoe houd je je dan staande? Met ogenschijnlijk niets in handen. Daarover gaat het boek Openbaring.
Midden in die verdrukking droomde Johannes en mogen wij ons als dromervangers van dat visioen leven. Het gaat over verlangen niet zozeer het leven na dit leven, maar het verlangen naar nieuw leven in dit leven. Om moed en hoop, te midden van de wanhoop. Om geloof tegenover de angst.
Het gaat in de Bijbel om de voltooiing van deze wereld. Om een visioen dat aansteekt en bemoedigt om te werken aan vernieuwing van deze aarde en van onze wereld.

Wat zijn mensen zonder dromen,
zijn dat mensen zonder ziel,’
die eerst zien en dan geloven,
waar is hun verwondering?

Midden in ons drukke leven
komen tekens naar ons toe
die het denken richting geven
bodem, oorsprong, weg en doel.

Zielentekens, beelden dromen,
fluisteringen worden daad
waarin God kan naderkomen
die ons steunt, ten goede raadt.

Nieuwe hemel, nieuwe aarde,
niet alleen een visioen,
maar iets dat vandaag al waar is
als wij onze dromen doen.

Het boek Openbaring wil ons niet aansporen om de wereld te ontvluchten. Het is bedoeld om de gelovigen aan te sporen om in de wereld staande te blijven, vast te houden aan onze hoop, te vertrouwen op de belofte, te geloven in de verandering.

Misschien hebben we die hoop meer dan ooit nodig. Want we leven in verwarrende tijden. Steeds meer dringt het besef zich op dat we hard bezig zijn om onherstelbare schade aan te richten aan Gods schepping. Steeds sterker groeit tegelijkertijd het gevoel van machteloosheid wat ik daar aan kan doen, in mijn uppie. Met keurig mijn plastic scheiden en wat vaker op de fiets in plaats van met de auto, komen we er niet.
We leven in onzekere tijden – met een nieuwe stijl van politiek in de grote machtige landen; of is het oude wijn in nieuwe zakken? Is het niet altijd zo geweest dat de mensen hun eigen tijd als verwarrend en onzeker hebben beleefd?

Tegenover die vragen, angstige en bange vragen, zet Openbaring een boodschap van moed en vertrouwen: Deze wereld, Gods schepping, is niet gedoemd tot de ondergang.
Dat is de bemoedigende rode draad in dit boek. En ik merk aan mezelf dat ik dat nodig heb om verkondigd te krijgen.
God blijft zijn aarde trouw. Dat is de bemoediging waar we elke viering mee beginnen, die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet loslaat het werk van zijn handen.

Het boek kan niet zomaar open, het is met zeven zegels verzegeld …. wordt vervolgd.

Lied 816

Gebeden en Collecte

Slotlied 713: 1,2 en 5