zondag 18 augustus

1 Samuel 1:1-17 en Lukas 13: 10-17

door ds. H.G. Haandrikman

Lied 214: 1 en 2

Een kerkdienst zou je ook kunnen typeren met wandelen. Wandelen met God, wandelen met elkaar door een landschap van diepten en hoogten,
van kyrie en gloria, van stille, naar binnen gerichte bezinning tot met elkaar uitbundig zingend van de paden van Gods gerechtigheid op
en de lanen van de vrede die alle verstand te boven gaat in

Zo willen we met elkaar de dienst beginnen en elkaar groeten in Gods naam.

Laten wij bidden…

Met U te wandelen door het leven en zo op het spoor te komen
van zachtheid voorbij aan hardheid
adem in onze uitgeblustheid
moed in onze moedeloosheid
doorzettingskracht als wij vermoeid zijn
diepe vrede temidden van alles
Met U te wandelen, God
en U met ons
als een lied van voorbij de horizon
opklinkend in onszelf
Wees onze reisgenoot
dit uur en alle dagen van ons leven
door Jezus Christus. Amen.

Psalm 62: 1 en 5

Lied 214: 7 en 8

1 Samuel 1:1-17

Psalm 43:1 en 3

Lukas 13: 10-17
Lied 339a

Lied 856

Wandelen haalt de haast uit je hoofd. Er ontstaat tijd en geestelijke ruimte voor andere vragen. Vragen die de dagelijkse beslommeringen voorbij gaan. Vragen die met zingeving te maken hebben. Misschien zelfs wel met iets dat niet van deze wereld is, iets van het Onnoembare, van God. Vanuit het vermoeden of misschien zelfs wel het besef dat er meer moet zijn dan alleen het materiële. De haast en de jacht naar het materiële – gedreven door begeerte streven naar meer, beter, mooier, sneller, groter en duurder – doet ons voorbij hollen aan datgene wat echt wezenlijk is.
Dat wezenlijke is niet materieel en is voor de ogen onzichtbaar. Wat voor de ogen onzichtbaar is, raakt ons ten diepste, raakt onze ziel. Als we dat verliezen, buigt onze ziel krom.
In een oud middeleeuws geschrift – anoniem – De wolk van niet weten, wordt ook gezegd dat de ziel rechtop moet gaan. Dat we niet voor niets rechtop zijn geschapen. Dat wij zo aarde en hemel verbinden.
Zo komen we Jezus tegen die een kromgebogen vrouw weer haar plaats terug geeft met de aarde onder haar voeten de hemel boven haar en de blik naar voren,

Het verhaal gaat over Jezus’ kritiek op de verwording van wat een dag die voor herademing, van ruimte, bevrijding, licht, herschepping en blijdschap bedoeld was, tot een zielloze, neerbuigende vertoning van menselijke kleinzieligheid. Waarop de economie vrij spel werd gegeven. Immers voor de werkdieren werd een uitzondering gemaakt, die mochten als het nodig was worden losgemaakt. Het bedrijf mag er niet onder lijden maar op de dag van de bevrijding een mèns losmaken, een mens bevrijden, dàt mag niet. Huichelaars, mensen die onder het onjuist citeren van bijbelteksten hun medemensen in nood aan het lot overlaten.
Daar gaat het verhaal over maar het gaat over meer.
De sabbat is er voor om ons uit de verkromming te halen en ons weer rechtop te zetten. Wat Jezus in ons evangeliegedeelte – dat we alleen bij Lucas vinden – aantreft is niet alleen een kromgebogen vrouw maar een synagoge, een kerk vol kromgetrokken mensen. En bewust, op de sabbat, die er voor is om mensen weer op te richten, geneest Hij een kromgetrokken vrouw.
Vaak is het zo dat mensen op Jezus afkomen met een noodkreet. Heer, help ons: Kyrie eleison. Hier richt Jezus zich zelf tot de vrouw. Die natuurlijk in de synagoge ook haar mond moet houden. Heel confronterend voor alle aanwezigen. Deze letterlijk kromgebogen vrouw. Is het een ziekte? In die tijd werd als verklaring voor ziektes de satan als oorzaak genoemd. Was het een geestesgesteldheid, een minderwaardigheidsgevoel dat haar steeds meer in zichzelf deed kruipen? Was het de last van het leven? Had ze zoveel meegemaakt dat ze bijna bezweek onder de last? Is het Hanna die door teleurstelling en vernedering bijna geknakt wordt? De kromgebogen vrouw doet bij ons allerlei beelden opkomen van wie gebukt door het leven gaan. Staat ze niet voor alle vrouwen, voor alle mensen die kromgebogen door het leven moeten? We zien ze, we weten ervan en in dit verhaal worden we ook bepaald bij wat we van onszelf vaak niet merken of niet meer merken dat ook wij, dat onze ziel kromgetrokken wordt.

Het verhaal gaat over nog meer. De kromgebogen vrouw wordt dochter van Abraham genoemd. Het gaat hier dus ook over het volk Israël dat gebogen gaat onder de Romeinse overheersing. De context van het evangelie van Lucas is belangrijk. Als Lucas zijn evangelie schrijft, zo’n 40 jaar na de kruisdood van Jezus, weet hij dat de romeinse overheersing nog hard zal toeslaan. De Galileeërs, verzetsstrijders die zich met buitensporig geweld verzetten tegen de romeinse uitbuiting worden bloedig klein geslagen. In het voorafgaande van het gedeelte dat we lazen wordt daarover verteld. Het is Pilatus die meedogenloos reageert op zo’n aanslag. Jezus ziet geen heil in dergelijk verzet maar laat zich niet onbetuigd. De oprichting van de kromgebogen vrouw zou je een vorm van geweldloos verzet kunnen noemen. Geweld en bloedige aanslagen bieden geen zicht op beter leven. Tot op vandaag. Syrië, Afghanistan, Iran, Afrika, Verenigde Staten en we houden ons hart vast bij de situatie in Hongkong. De machthebbers wachten op een gelegenheid – uit de hand gelopen of geprovoceerd verzet – om het met geweld te breken.
Jezus kiest uitdrukkelijk voor geweldloos verzet. De zachte kracht. Niet onnozel of zweverig maar uitermate duidelijk. Hij heeft een scherp oog voor onrecht, onderdrukking, mensonwaardige omstandigheden.
Maar wat vraagt dat veel om in een situatie van onderdrukking te blijven vertrouwen dat, om zoals Huub Oosterhuis in zijn psalmbewerking, de neerbuigende onmenselijke machten noemt, dat ‘ploert en schender’ uiteindelijk verwaaien in het niets en de kromgebogenen, waar ze ook wonen in de wereld of in onszelf, worden opgericht. Zoals in psalm 1 in zijn hertaling:

Goed is
dat je niet doet wat slecht is
niet achter oplichters aanloopt
niet met Ploert en Schender heult
niet je schouders ophaalt
‘ploert en schender, ach
zo is de wereld’.

Goed is dat je goede woorden
overweegt en wil:
Heb je naaste lief die is als jij
de vluchteling, de arme, doe hen recht.
Prent ze in het hart van je verstand,
die woorden
zeg ze voor je uit

gezegend ben je

een boom aan stromen levend water
vruchten zul je dragen
blad dat niet vergeelt
het zal je goed gaan.

Oplichter
ongezegend zal je zijn.
Een storm steekt op
je waait de leegte in.

Het is bij nadere lezing een bijzonder rijk verhaal. Wie is hier kromgebogen? Wat doet ons krombuigen? Zo direct als Jezus hier die vrouw aanspreekt, zo kunnen wij geconfronteerd worden met onze eigen verkromming. Waar we, net als vrouw vaak wel weet van hebben, waar we, net als de vrouw hunkeren naar iemand die ons opricht, waar we net als de vrouw, zonder er zelf echt voor uit te komen, afkomen op een verhaal over iemand die ons raakt, aanraakt en rechtop zet en zegt: ga, wandel met God, je bent bevrijd!

Lied 837

Lied 910: 1 en 2