zondag 15 augustus * ds. Bart Vijfvinkel te Wormer *

Orgelspel

Welkom en afkondigingen (door ouderling)

Intredelied: psalm 139: 1 en 2           (gemeente staat)

Groet              Genade zij u en vrede van God onze Vader
en van Jezus Christus de Heer.
Amen

Bemoediging  Onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Gebed van toenadering

Goede God,
Gij doorgrondt en Gij kent ons, liefdevol.
Wij bidden U
zie ons aan met alles wat met ons meedragen
aan blijdschap en verdriet
aan zorgeloosheid en zorgen
aan licht en donker.
Vergeef ons tekortschieten
naar elkaar, naar U, naar onszelf
en leid ons op de weg ten leven.
Amen
(gemeente zit)

Intredelied (vervolg): 139: 14

Kyriegebed

Gij, God van ontferming,
U roepen wij aan, omdat U God bent
zo anders dan andere goden
geen God van het lot
van onrecht en geweld
maar God van liefde
van gerechtigheid en vrede.
Maar zoveel in de wereld vloekt met uw Naam
het onrecht, de onderdrukking,
het geweld
het rapport over onze zo bedreigde aarde
Afghanistan…
Vanwege Uw Naam – Ik ben met jou –
Vanwege uw hemel bewogen met deze aarde
roepen wij tot U

Heer ontferm U, Christus ontferm U, Heer ontferm U

Glorialied 302: 1

Gebed van de zondag
afgesloten met  lied 331

Goede God
Ooit begon Gij te spreken
Een Woord ten leven
Een Woord dat ons wegriep
om te leven
tot zegen van elkaar en tot eer van uw grote Naam.
Gij wiens stem niet verstomt
Geef dat wij horen mogen
U mogen leven, zo bidden wij:

Lezing: Deuteronomium 6, 4-9 (door de lector)

Acclamatie     Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Lied 316

Evangelielezing: Marcus 7, 31-37      (gemeente staat)

Acclamatie     Lied 339-a

Lied 323

Preek

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Toen Maarten Luther in 1538 preekte over de evangelielezing van vanmorgen begon hij met te vertellen van de koeien die, op weg naar de weide, en ‘s avonds weer terug naar de stal niet moe worden ons toe te roepen hoe lekker hun melk is, en hun boter, en hun kaas. En net zo roepen de kippen, de varkens, zelfs het koren. Maar wij gebruiken onze tong en oren liever voor roddel en achterklap. En dus horen wij niets. Aldus Luther.

Ach, de reformator zegt het wel scherp. Maar hij heeft wel een punt: echt luisteren, echt horen is moeilijk.

Ik moest bij het evangelie ook denken aan een bekend gedicht van Judith Herzberg genaamd `ziekenbezoek`.  U kent het misschien.

“ZIEKENBEZOEK”

Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee toch niet,
je moet het maar eens proberen.

In de stilte is, zo blijkt, van alles gezegd. De ik-persoon uit het gedicht denkt het uurtje zwijgen wel even samen te kunnen vatten, maar de vader weet beter. In de stilte is van alles gezegd voor wie het horen kan en horen wil.

En zo gaat ook het evangelie van vanmorgen niet in de eerste plaats over een genezing van oren. Een wonderlijke genezing met Jezus in de rol van kno-arts. Zo zijn wij echter wel geneigd om deze verhalen te lezen. Je ziet het voor je, Marcus beschrijft het heel beeldend. Hij neemt de man apart, hij steekt zijn vingers in zijn oren, hij spuwt, raakt zijn tong aan, kijkt naar de hemel, zucht en zegt: effatha! Word geopend.

En meteen worden de oren geopend, wordt de band van zijn tong los, en spreekt de man `goed`. In onze Nieuwe Bijbelvertaling staat dat de man weer `normaal` sprak. Dat is een beetje een gekke vertaling. Alsof het er hier en in de hele bijbel om zou gaan dat je een beetje normaal praat en beetje normaal doet. Nee, waar het om gaat is dat de man `goed` sprak. Het gaat er in de bijbel om dat het leven, wat we horen, zien, zeggen en doen `goed is`. Daarop is alles aangelegd vanaf den beginne, toen God zag dat dat het `goed` is.

Het evangelie is dus niet zomaar een wonderverhaal. Dat zijn die verhalen nooit. We moeten goed luisteren, goed horen. Jezus komt bij de zee van Galilea, midden door het gebied van de Dekapolis. Die zee van Galilea is natuurlijk gewoon een meer, maar hier is het een zee. En de zee is in de bijbel de bedreiging van alles wat `goed` is. Jezus is dus daar waar het bestaan bedreigd is.  Hij is in de Dekapolis, letterlijk in de Tien Steden. Dat waren tien Griekse steden daar gebouwd om paal en perk te stellen aan het Jodendom. Jezus is dus in niet-Joods gebied.

En er is een verschil tussen Joden en Grieken/ niet-Joden. Tussen Joden en ons, heidenen, of we nu Christen zijn of niet. De niet-Jood moet het grof gezegd hebben van wat hij of zij ziet. Wat je ziet kun je meten en meten is weten. Iets is waar als je het met eigen ogen gezien hebt. En zo brengen de wereld in beeld. Er zit alleen een grote beperking aan: je kijkt altijd alleen maar met je eigen ogen. Dat kan niet anders, maar dat is wel een beperking van dat `zien`. Je blijft altijd zelf het middelpunt: ik zie, ik zie wat jij niet ziet… En misschien bepaalt dat ook wel onze manier van geloven. `Ik geloof in God de Vader…` zegt de apostolische geloofsbelijdenis. Die geloofsbelijdenis begint dus met dat woordje `ik`.  En als die `ik` het niet meer zo ziet met het geloof, dan houdt het een beetje op.

Hoe anders is de Joodse geloofsbelijdenis en de Joodse zienswijze. De Joodse geloofsbelijdenis begint niet met dat woordje ik, maar die begint met de oproep om te horen: Hoor Israël, de Ene onze God, is één. Een God uit één stuk. De Joodse geloofsbelijdenis is dus niets meer en niets minder dan een oproep om te horen. Daarmee begint het. Abraham, ga, ga jij, naar het land dat ik je zal laten zien. Op dat moment ziet Abraham nog helemaal niets. Hij ziet en hij hoort alles nog heel normaal. Zoals dat gaat in Ur der Chaldeeën, zoals het altijd gaat. Niet alleen daar  maar ook in de Dekapolis en in Enkhuizen  en in de wereld. Niets nieuws onder de zon. We hebben het wel gezien. Maar dan gaat hij horen. Een vreemde stem. En ziet hij een vreemde verte. Beloofd land, iemand die met hem en mispogge meegaat en dat zal blijven doen.

Misschien wordt een mens pas een echt `ik`, word je pas echt iemand, als je wordt aangesproken. Adam, mens, waar ben je? Abraham, Sara, Jan, Marie of hoe je ook heet…

Een niet-jood, wij dus, wordt apart genomen. Mens-zijn niet begint bij ‘ik-zeggen’, maar bij iemand anders die ‘jij’ zegt. Bij iemand die jou aanspreekt.

Geloven is geen kwestie van zien. Van begrijpen, van theorie, van verklaren. Het is een kwestie van horen, je oren spitsen of je het soms horen mag. Vreemde woorden, vreemde verhalen. Een vreemde oproep. Iemand die je aanspreekt.

Dat je horen mag, doen en spreken wat goed is. En zien, soms even (en eens voorgoed)  … de goedheid van God, beloofd land. Amen.

Lied 848

Gebeden afgesloten met oecumenisch Onze Vader

Goede God
wij danken U
dat u ons aanspreekt

Dat U zich niet doof houdt
waar wij ons doofhouden voor u en voor elkaar
waar wij niet kunnen horen
wat ons de goede weg wijst
wat ons troost
wat ons bemoedigt

Wij danken U
voor mensen
die horen wat nodig is
en daaruit leven
de vredestichters,
zij die het opnemen tegen onrecht
zij die het opnemen voor wie geen helper heeft

Wij danken U
dat U hoort, soms in mensen,
wat in ons omgaat

God geef gehoor aan het roepen
om vrede om gerechtigheid
om menselijkheid

God open ons
waar we niet kunnen horen
wat ons goeddoet
waar we opgesloten zitten
in onszelf

God, doe ons horen,

Gij die ons reeds hoorde, voor wij om u riepen,
verhoor ons ook nu we in stilte bidden…

Onze Vader …..

Toelichting op de collecte (door diaken)

Slotlied: lied 871

Zegen