Zondag 17 februari * 6e zondag na Epifanie

Jona 3: 10-4: 11 en Matteus 20: 1-16

door ds. J.F. Idzenga

Welkom en afkondigingen (door ouderling)

Intredelied: 283
(gemeente staat)

Groet:    Genade zij u en vrede van God onze Vader
en van Jezus Christus de Heer.
Amen

Bemoediging:  Onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Gebed van toenadering

Psalm van de zondag 89: 1, 5 en 6
(gemeente zit)
Kyriegebed

Glorialied: 657

Gebed van de zondag

Lezing: Jona 3: 10-4: 11 lector

Acclamatie:    Zo spreekt de Heer.
Wij danken God.

Lied: 942: 1 en 3

Evangelielezing: Matteus 20: 1-16 (gemeente staat)

Acclamatie: 339a

Lied: 991: 1, 4-8

Preek

Bij de eerste zin van het gedeelte uit Matteus is al duidelijk dat het om een gelijkenis gaat. Het is met het koninkrijk van de hemel als met……
Jezus vergelijkt het koninkrijk van de hemel met het optreden van een landheer van een wijngaard.

In het Oude Testament gebruikten de profeten de wijngaard vaak voor het land Israel. De toestand van de wijngaard geeft aan hoe het er met het volk voorstaat;
als er in het land vrede en gerechtigheid heerst in het land dan kan ieder rustig zitten onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom, Maar het volk wordt door diezelfde profeten aangeklaagd, wanneer de wijngaard er verwilderd bij ligt:
Ze verwaarlozen dat kostbare geschenk,
er wordt niet geleefd naar Gods bedoeling,
de leefregels die hen gegeven zijn worden met voeten getreden.

Ook Jezus gebruikte in zijn gelijkenissen vaak het beeld van de wijngaard. Zo ook hier. De landheer gaat op pad. Hij zoekt arbeiders om de oogst binnen te halen,
er is haast bij; vandaag moet het gebeuren, want morgen zijn de vruchten verdroogd en zijn ze niets meer waard. Alle mankracht die te vinden is wordt erbij geroepen, van ‘s morgens vroeg tot aan het eind van de dag. Tot zover niks bijzonders aan deze gelijkenis.

Maar dan volgt dat bevreemdende element, dat in elke gelijkenis die Jezus vertelt, verborgen zit. Altijd wringt er iets in zijn verhalen, waar je je tanden op stuk bijt, wat onverteerbaar is, omdat het in onze wereld ondenkbaar is.
Want welke werkgever haalt het in zijn hoofd, om zijn werknemers uit te betalen zoals hier gebeurt? Iedereen hetzelfde loon, ongeacht hoeveel uur per dag je werkt. Dat is toch niet rechtvaardig?

De eerste dagloners voor de wijngaard beginnen met het werk om zes uur in de ochtend. De volgende komen om negen uur, dan komen er een paar om twaalf uur, een paar om drie uur en de laatsten komen pas om vijf uur. Dus een uur voor het eind van de werkdag. Welgeteld zijn er vijf groepen arbeiders die op verschillende tijden naar de wijngaard zijn gehaald.

Matteus laat ons een alledaags beeld uit die tijd zien. Er was veel seizoensarbeid, en in de zomerse hitte was er maar een beperkte tijd voor de oogst. Als je de oogst niet op tijd binnenhaalde zouden al die prachtige druiven in rozijnen veranderen. Daarom haalt deze landheer iedereen van het marktplein, zelfs laat in de middag kon hij nog arbeiders gebruiken. En we weten het Oude Testament dat mensen die werken op
dezelfde dag moeten worden uitbetaald. En met het geld dat ze ’s avonds ontvangen doen ze dan hun inkopen. Iets om van te leven. Want dagloners moeten hun geld elke dag opnieuw verdienen.

Iedereen werkt, lang of kort, tot het eind van de dag. En dan wordt er uitbetaald.

De uitbetaling begint bij degenen die het laatst gekomen zijn. Een beetje ongebruikelijk. Je zou denken dat degenen die vroeg gekomen zijn het eerst hun loon ontvangen. Sterker nog, de arbeiders die het laatst zijn gekomen, die één uur hebben gewerkt, ontvangen het loon dat de eerste groep was toegezegd. Dat belooft wat.
Als zij die één uur hebben gewerkt één denarie ontvangen dan zullen zij die twaalf uur hebben gewerkt twaalf denarie moeten krijgen. Niet dus.
Het besef dringt langzaam tot hen door: iedereen krijgt één denarie. En ze worden boos. Naar menselijke begrippen is het zonneklaar: dit is geen rechtvaardige landheer.
En gemor en geklaag volgt. Misschien niet eens over het feit dat degenen die er het laatst bijgekomen zijn evenveel krijgen als degenen die er vanaf het eerste uur bij zijn. Want ze krijgen wat ze afgesproken hebben. Waarom dan die ontevredenheid?

Omdat de zaak toch wat ingewikkelder is denk ik. Kijk maar wat er in vers 12 gezegd wordt. Daar staat: u behandelt hen zoals u ons behandelt. U hebt ze ons gelijk gemaakt.

Het probleem van deze gelijkenis is misschien wel dat zij hetzelfde krijgen als wij en wij vinden dat zij het niet verdienen. Er is boosheid over wat anderen ontvangen, boosheid omdat je vindt dat die anderen het niet verdienen. Het gaat dus niet om rechtvaardig of onrechtvaardig. Dat blijkt ook wel uit het antwoord van de landeigenaar. Ik behandel je toch niet onrechtvaardig? Dit hebben we toch afgesproken? Je hebt toch gekregen wat we overeengekomen zijn. Waarom dan zo boos. Mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil?
Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?

Soms wordt deze gelijkenis zo uitgelegd dat God die landeigenaar is. Dat is best een mooie gedachte. God is de landeigenaar. Juist omdat Jezus deze gelijkenis begint met: ‘Want het is met het koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uittrekt om arbeiders te zoeken.’ God gaat op zoek naar werkers in de wijngaard en hij wil het liefst dat iedereen meewerkt.

De vraag van de landeigenaar wordt dan dus de vraag van God. Zet het kwaad bloed dat ik goed ben? Een vraag die nog beter te begrijpen is als je ’t in het grieks leest. In het grieks staat er: is je oog boos (ophtalmos
poneros) omdat ik goed ben? Is je oog boos?

En dat gaat toch echt een laagje dieper dan gewoon kwaad zijn. Denk maar aan het gedeelte waar Jezus zegt: je oog is de lamp van je lichaam. En als je oog helder en gezond is, is heel je lichaam vol licht zijn maar als je oog troebel is, is er in heel je lichaam duisternis. Mensen met een boos oog hebben problemen die dieper gaan. Als het licht in henzelf verduisterd is, hoe kunnen ze dan helder naar de wereld kijken.
Is je oog boos omdat ik goed ben?

Als de landeigenaar naar menselijke maatstaven had gehandeld, en een passende beloning had gegeven, dan hadden die laatste arbeiders nog niet eens een brood kunnen kopen, hadden ze niet genoeg gehad om van te leven. Daar komt het op neer. Dit is een werkgever die zegt: ik betaal de mensen zo dat ze ervan kunnen leven. Hij kijkt dus niet naar daadwerkelijk geleverde prestaties maar naar wat een mens nodig heeft.

Iedere arbeider ontvangt, hoe lang of kort hij ook aan het werk is geweest, één denarie. Een denarie was in die tijd voldoende om een gezin één dag van te laten leven. Je zou kunnen zeggen: dat bedrag staat symbool voor de dagelijkse zorg van God voor mensen. Je krijgt genoeg om van te leven. Geef ons heden ons dagelijks brood. Maak je geen zorgen voor de dag van morgen. Want God schenkt zijn goedheid elke dag weer. En morgen weer opnieuw.

Jezus vertelt hier het verhaal van God en dat het niet gaat om rechtvaardigheid naar loon en prestatie maar om wat je nodig hebt.

Maar door deze vraag: Is je oog boos omdat ik goed ben? gaat deze gelijkenis niet alleen over God als landeigenaar die weet wat zijn mensen nodig hebben. Maar zoals altijd in de Bijbel: dit gaat ook over onszelf.
Als je ziet hoe God of Jezus in de bijbel vragen stelt, dan zijn het altijd vragen die je dwingen om naar jezelf te kijken. De vraag die God hier stelt is denk ik zo’n vraag, een uitnodiging tot zelfkennis. Dat je je waarden telkens opnieuw moet
toetsen aan Gods waarden.

Het zou voor onze samenleving ook een goede vraag zijn. We zien de boosheid, de hebzucht en de jaloezie van mensen die niet willen dat anderen in dezelfde mate ontvangen als zij ontvangen. Voelen die misschien zelf ook wel diep van binnen.
Om die boosheid en jaloezie heen zijn hele verkiezingsprogramma’s gebouwd. Zij krijgen hetzelfde als wij, maar zij verdienen het niet.
Geven aan een ieder wat hij of zij nodig heeft, is heel wat anders dan ontvangen naar loon of prestatie, maar soms wel bijbelser, leren we uit deze gelijkenis.

Dat geeft deels antwoord op de vraag wat wij hier en nu aan deze gelijkenis hebben? Bij deze gelijkenis is dat niet meteen duidelijk. Het verhaal staat immers wel ver van onze realiteit af.
Een ander antwoord op ‘wat we eraan hebben’ staat aan het begin van de gelijkenis.

Daar lezen we: ‘Het is met het Koninkrijk van de hemel als met een landheer die er op uittrok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken.’
Jezus wil met zijn gelijkenis zijn toehoorders nìet iets vertellen over hoe het er in ónze wereld toegaat, maar in ‘het Koninkrijk van de hemel’
Dat maakt het nog lastiger, want dat Koninkrijk van de hemel………. Is dat niet iets voor later? Dat zou kunnen. Iets om naar uit te kijken misschien, om het hier uit te houden.

Maar dat koninkrijk is ook iets voor hier en nu, aldus Jezus, want het heeft te maken met het verlangen dat diep in iedere mensenziel sluimert.
Een eindeloos verlangen naar een bestaan waarin alles op z’n plaats valt, waar het voor ieder mens, ongeacht ras, godsdienst, geaardheid, goed is om te leven, waar liefde heerst en vrede en geborgenheid.
Een leven zonder angst of gebrek……

En aan de vervulling van dat verlangen kunnen wij iets doen. Wij kunnen als werkers in Gods wijngaard dat Koninkrijk iets dichterbij brengen. Werken aan vrede in het groot en in het klein, werken aan rechtvaardige verdeling. Zodat ieder krijgt wat nodig is. Hier en nu en in het koninkrijk van de Hemel.

Lied: 756: 1-5

Gebeden afgesloten met oecumenisch Onze Vader

Inzameling van de gaven

Slotlied: 839: 1, 3 en 4

Zegen