Zondag 17 mei * zondag Rogate* ds. Henk Haandrikman

Orgelspel

Welkom door ouderling van dienst

Kaarsen worden aangestoken

Muziek                                             Largo uit Sonate opus 1 nr. 3 – Jean Baptiste Loeillet (1688)

Groet en Bemoediging

Genade zij u en vrede God de Vader en van Jezus Christus, onze Heer

Onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Zoals ik al eerder vertelde zit er in de zondagen na de jubel van Pasen ook een langzame verstilling. Zondag jubelt wordt gevolgd door zondag zingt en nu zondag bidt. De bloemschikking verbeeldt het….

In Psalm 66 komen we ze alle drie tegen. Jubelen, zingen, bidden.

In deze tijd denken we niet zo aan jubelen maar dan is het goed om te bedenken dat die jubel niet van onze stemming afhangt maar voortkomt uit wat met Pasen duidelijk is geworden: dat we nooit worden losgelaten, dat er bij alles, ondanks alles een goedheid is die ons draagt.

En zingen, we zouden zo graag weer samen zingen maar uit onderzoek lijkt juist samen zingen een extra risico met zich mee te brengen. In die zin sluit het verstillen van de zondagen wel aan bij hoe we deze tijd beleven. Van jubelen en zingen naar de binnenkamer van het gebed. Juist daarin kunnen we verbonden zijn.

Ik kreeg een klein dichtbundeltje van één van onze gemeenteleden, Alie Abbestee. Zij verwoordt die verbondenheid in het gedicht ‘Afstand’.

Bomen staan op een rij
Afstand
Wortels zijn verstrengeld
Net als de takken

Het leven nu
Vandaag
Afstand
Energie is verstrengeld

Riet staat fier overeind
Leunend om overeind te blijven staan

Net als de mens
Vandaag
Afstand
Energie is verstrengeld

Kracht van binnenuit

Psalm 66: 6 en 7

Gebed om ontferming

Kyrie en Gloria lied 299e             Regenboogkaarsen worden aangestoken

Lezing                                               Johannes 16: 16-24

Lied 662: 1 en 2

Overdenking

‘Bidt en gij zult ontvangen’. Hoe bedoelt Jezus dat?

Mag je dan zomaar om van alles vragen? om gezondheid en voorspoed en een veilig bestaan? Jezus zei immers ook over dat soort vragen: ‘naar al die dingen gaat het zoeken van de volken uit’. Hoe bidden we? Ik denk dat iedereen weer anders bidt en dat ook iedereen op verschillende momenten in het leven op steeds weer een andere manier bidt, daar zit een ontwikkeling in.

Om in deze toch wat eentonige tijd wat ritme aan te brengen ben ik , misschien wel als een soort dagelijks gebed, een boek dat ik al vaker heb gelezen, aan het herlezen. Het is van de joodse denker Abraham Joshua Heschel. Het gaat over de betekenis van het gebed.  Voor hem is het gebed de verbinding met wat groter is dan jezelf. ‘Als een boom die uit de aarde wordt gerukt, als een rivier die wordt afgesneden, zo verdort de menselijke ziel wanneer zij wordt losgemaakt van wat groter is dan zij.‘

Mijn allereerste preek was ook op zondag Rogate en ging over bidden. Ik heb er geloof ik wel 3 maanden aan gewerkt en ik had er zo’n beetje mijn hele boekenkast ingestopt. Ik zie nog de glazige gezichten van de gemeenteleden over wie ik heel die kruiwagen met wijsheden uitstortte en dat nog in het tempo van een zenuwachtige beginneling. Ik wilde eens kijken of er nog bruikbare elementen uit die preek kon halen. Ik kon er niets meer mee, zelfs geen stukje! Als je bij jezelf nagaat heb je een hele ontwikkeling doorlopen in het bidden. Het begon toen je leerde bidden voor en na tafel, en natuurlijk voor het slapen gaan en soms ook ‘s ochtends. Eerst een paar uit het hoofd geleerde zinnen, later ook eigen woorden en gevoelens, zoals het jongetje tegen zijn oma zei op haar vraag of hij ‘s avonds wel altijd bad: “Ja hoor”. “En ‘s ochtends?” “Nee, dan nooit want overdag ben ik niet bang.”

Heel vanzelfsprekend kon je als kind allerlei dingen aan God vertellen: het mooie weer, de zieke poes, problemen op school, de honger in de wereld, de ziekte van mensen waar je van hield, alles waar je van God een oplossing voor verwachtte. En als het heel moeilijk werd kon je vol vertrouwen vragen: “Heer, wilt U zorgen dat…” Dan werden er zelfs beloften gedaan: “Heer, als u dat doet, dan zal ik…” Bidden was een verlanglijstje inleveren. Vaak betrap je jezelf op zulke gebeden ook al weet je wel beter en nogal wat mensen komen niet zoveel verder met als gevolg dat het geloof stuk breekt wanneer er iets ergs gebeurt en God doet niets. Hoe kom je voorbij dat punt dat je God toch eigenlijk ziet als de grote tovenaar.

 

Wat is bidden? Daar geef je dus niet zomaar een antwoord op. Bidden zit niet vast aan bepaalde vormen, het is niet alleen maar handen vouwen en ogen dicht. Het kan een lied zijn (Augustinus zegt dat zingen dubbel bidden is), het kunnen gedachten zijn, zomaar wat verzuchtingen, een protest, een klacht, god-o-god-o-god-o-god zeggen, losse woorden of zinnen midden onder weg, vaste formules op vaste tijden, en ook in de gemeente de gezamenlijke teksten meezeggen. Bidden kun je alleen als je ook kunt luisteren. Zo was er eens een oude vrouw die vaak urenlang bewegingloos in de kerk zat. Toen iemand haar vroeg of zij aan het bidden was, knikte ze. “Wat zegt God tegen je”, was de oprecht belangstellende vraag. “Niets”, antwoordde de oude vrouw, “Hij luistert”. “En wat vertel jij dan aan God?” “Ik zeg ook niets”, zei de vrouw, “ik luister alleen maar”.

Bidden is nooit vragen om de dingen waar je zelf wat aan kunt doen. Bidden voor arme mensen is een aanfluiting als we alles voor ons zelf willen houden. Bidden om vrede op aarde is vloeken als we in onze eigen omgeving voortdurend oorlogje spelen. Bidden om een andere manier van omgaan met de mensen om je heen, je man, je vrouw, je kind, slaat nergens op als je zelf geen stappen onderneemt en desnoods iets wilt inleveren en misschien zelfs wel even op je knieën moet.

Maar ook is bidden nooit dat er dingen van je gevraagd worden die jij niet aankunt. Als je het gebed ervaart als belasting, als verlammend, als veeleisend, dan klopt er iets niet. Bidden schept ruimte om op een andere manier tegen iets aan te kijken dan jouw eigen rondtollende gedachten toelaten. Bidden verandert de bidder. Zo is echte gebedsverhoring een veranderd mens. Misschien alleen maar door je bij je eigen gaven te brengen en zo te accepteren dat je net als ieder ander een beperkt mens bent. Als je de natuur zo uitbundig ziet bloeien als in de afgelopen tijd en nog steeds, kun je het aan je voelen trekken: zoveel bloemen aan één tak, zoveel mogelijkheden in mij, al die bloemen, al die mogelijkheden zouden vruchten kunnen worden, moeten worden. Is dat misschien één van de redenen waarom vele mensen juist het voorjaar de moeilijkste periode van het jaar vinden en depressief worden? Dat is teveel, te zwaar. Bedenk dan toch hoe diezelfde tak er in de herfst uitziet, maar enkele bloemen zijn vruchten geworden. Zelf vind ik daarom dit korte gebed van Franciscus zo troostend: ‘Heer, geef mij de kracht om te veranderen wat veranderd kan worden; geef mij het geduld om te verdragen wat niet veranderd kan worden; en geef mij de wijsheid om tussen die twee juist te onderscheiden’.

 

Of maken al deze opmerkingen het alleen maar moeilijker om te bidden? Want ik denk dat het voor de meesten geldt dat het gebed iets is waar we moeite mee hebben. Daarom is er ook het gezamenlijke gebed. Naast het niet meer samen zingen is dat wat we missen. Dat is een deel van wat ‘kerkhonger’ wordt genoemd. Omdat geloven een zaak is van samen.

Om God op te graven in onszelf, in de ander, om de verbinding te zoeken met wat groter is dan onszelf, daarom komen we samen, zingen en bidden we samen. Nu dat niet kan is het goed te weten dat we in gebed met elkaar verbonden zijn en met velen meer. Misschien kunnen we afspreken dat elke dag bijvoorbeeld om twaalf uur een kaars aansteken en het Onze Vader bidden. En val jezelf dan niet te hard als je dat vergeet. Heschel begint zijn boek met het verhaal van de schoenlapper.

Zo’n 150 jaar geleden vroeg die op een dag aan de rabbijn Izaak van Ger: ‘Wat moet ik met het ochtendgebed? Mijn klanten zijn arme mensen die maar één paar schoenen hebben. ’s Avonds laat brengen ze hun schoenen en de hele avond en de nacht ben ik er druk mee. Vaak ’s ochtends nog om ze klaar te hebben voor ze gaan werken. Hoe moet het nu met mijn ochtendgebed? Hoe heb je dat dan steeds gedaan? Soms raffel ik het af, maar dat zint mij niet. Elke keer als ik mijn hamer op een schoen laat neerkomen, hoor ik mijn hart zuchten: wat ben ik toch voor een sukkel dat ik niet eens mijn ochtendgebed kan bidden. ‘Als ik God was’, zei de rabbi, ‘dan zou ik die zucht hoger aanslaan dan een gebed’.

Muziek                                             Adagio uit Sonate opus 1 nr. 3 – Jean Baptiste Loeillet (1688)

Collectepraatje

Gebeden

Slotlied 910: 1 en 2

Zegen

Afsluitende muziek                        Allegro uit Sonate opus 1 nr. 3 – Jean Baptiste Loeillet (1688)

 

voorganger                       Henk Haandrikman

orgel                                   Piet Spoelstra

muziek                                Jerry Korsmit (klavecimbel)
Martijn Plomp (viool)
Johannes Hulshof (cello)

ouderling                           Andries van Dekken

diaken                                Lenie Baks

lector                                  Nienke Hartemink

beeld                                  Peter Cloos

bloemschikking                Andrea Botman en Tsjikke Eveleens