Zondag 17 november * negende zondag van de Herfst

Exodus 3:1-15 en Lucas 20:27-38

door ds. H.G. Haandrikman

Lied 210:1 en 2
Psalm 92:1 en 2

301k

Lied 984:1,4,5
De laatste zondagen in november, voordat de adventstijd aanbreekt, heten de zondagen van de voleinding. De lezingen op deze zondagen gaan over de voltooiing van Gods plannen. Hoe zal het gaan met onze geschiedenis, met onze wereld, met ons eigen leven? Hoe breekt daarin iets door van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde?
Veel van die lezingen hebben een heel breed perspectief: het einde der tijden en het aanbreken van Gods Koninkrijk.
De evangelielezing van vandaag houdt het dichterbij. Hoe zal het zijn aan het eind van ons eigen leven, na ons eigen leven?
Een paar Sadduceeën (één van de religieuze stromingen in Jezus’ tijd) proberen Jezus te verleiden tot een uitspraak over de opstanding van de doden. Met een vreemd voorbeeld proberen ze aan te tonen dat dit geloof onzinnig is. Jezus reageert zo dat hij hun platte redenering afwijst: zo moet je je dat niet voorstellen maar tegelijk verzet Hij zich tegen de opvatting dat er helemaal geen opstanding zou zijn. Jezus verwijst dan naar een uitspraak van God dat nu juist laat zien dat de gestorven voorouders voor God leven. Het is het verhaal van Mozes en de brandende doornstruik: Exodus 3: 1-15

Exodus 3: 1-15

Lied 275

Lucas 20:27-38
339a

Lied 1008

Twee grote vragen doemen op uit de lezingen: hoe zal het zijn na dit leven? En: hoe verschijnt God in ons leven?
Afgelopen vrijdag ging ik voor in het Nicolaas, het woonzorgcentrum hier in Enkhuizen. Ook daar ging het over de laatste dingen. Ik vertelde over een catechisatie in mijn eerste gemeente. Ik was nog maar net predikant en moest nog veel leren. Het was een luidruchtige groep van 12-16 en ik zag er tegenop en dacht ik vraag maar eens waar ze het over wilden hebben. ‘Over het leven na de dood’. Of ik maar eens even wilde vertellen hoe dat zat. Daar zit je dan als nog niet droog achter de oren dominee. Ik was zo handig de vraag terug te spelen: wat denken jullie? Er ontstond een heel gesprek. “Geen idee”, zei één. “Volgens mij is daar alles net als hier, maar zonder al die ellende die we nu hebben” zei een ander. “Nou dan hoef je in elk geval niet meer naar school”, Yèèh, riepen ze allemaal.
“Maar wat moet je dan doen, de hele dag?”, vroeg een vierde. “Mijn oma zegt dat je dan de hele dag voor God gaat zingen”. “nee hè, dat is toch vreselijk. “Zou je dan ook moeten werken?” En zo werd er van alles genoemd. Toen werd het stil en keken ze verwachtingsvol naar mij. Daar bleef het ook stil. Toen stak een meisje, de jongste van het stel, haar vinger op. Ik kende haar van de kindernevendienst en zij had vaak een bijzondere opmerking, een beetje filosofisch, anders dan je verwacht. Kinderen kunnen je zo lekker van je apropos brengen, je stelt een vraag met in je hoofd dan zal er wel zo’n antwoord komen en dan kan ik mijn punt maken, maar dan zeggen ze iets totaal onverwachts… En dit keer zei ze: Misschien is dat wel het geheimpje van God. Mag God ook een geheimpje hebben? Ik vond dat zo’n mooi antwoord. Wij zijn, en zeker wij Protestanten wel vaak erg van het willen weten en bevatten en beredeneren. “Mag God ook een geheimpje hebben?”
Na die dienst raakte ik in gesprek met een nieuwe bewoner. En hij haalde heel toevallig de evangelielezing aan die wij vandaag hebben gehoord. Hij zei, heel diep doorleefd, het straalde bijna van binnenuit naar buiten: we kunnen daar niets van zeggen, het enige zou kunnen zijn dat wij bij God leven in een onvoorstelbare vrede waar wij geen woorden voor hebben.
Jezus besluit zijn discussie met de Sadduceeën met de woorden: God is de God van Isaak en de God van Jakob. Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven.
Hoe dat is….? God heeft zijn geheim. Maar misschien mogen we de oude rabbijnen aan het woord laten komen. Zij zeiden: “Weet je waarom de eeuwige ‘God van Abraham, Izaäk en Jacob’ heet? Omdat Hij ons als Abraham uit onze zekerheden wegroept, omdat Hij ons als Izaäk uit de dood redt en omdat hij met ons worstelt, zoals Hij vocht met Jacob in de Jabbok.” Zij leven, zij leven in ons en zo verschijnt God in ons leven.

Zo verschijnt God ook in het leven van Mozes.
Dit verhaal is heel rijk aan betekenissen. Het is één van de grote verhalen. Het verhaal van de Godsnaam: Ik zal er zijn.
Ik wil vandaag proberen wat dichter op de huid van Mozes kruipen. Wat gebeurt hier met hem en hoe vindt Gods geschiedenis via hem mensen tot op de dag van vandaag.
Waarom vertoonde God zich aan hem in een brandende doornstruik?

Mozes had geen hoge dunk van zichzelf maar er brandde een hartstocht in hem. Dat was al duidelijk toen hij zag hoe een volksgenoot van hem, een slaaf, werd mishandeld door een Egyptenaar. Zijn gevoel voor gerechtigheid vatte vlam en hij sloeg die Egyptenaar dood. Nu is hij op de vlucht en in een soort niemandsland heeft hij een plekje gevonden als schaapherder.
Een enorme teruggang van zijn bestaan aan het Egyptische hof als een prins tot vogelvrije zwerver zonder land of stand.
Hoe is het nu met die hartstocht? Is hij geknakt? Heeft het vuur dat hem tot moord en doodslag bracht hem verteerd. Heeft de wroeging over die daad hem verteerd?
Uit het vervolg blijkt dat Mozes zichzelf niet veel waard vindt, maar toch is het vuur in hem niet gedoofd. Diep van binnen hunkert hij naar vrijheid, naar eigenwaarde, naar een eigen plek voor hemzelf en voor zijn volk. Maar hij kan er nog niets mee. Hij kan er niet bij en wat je dan vaak ziet gebeuren is dat die hartstocht met jou aan de haal gaat. Dat herkennen we misschien.
Het is een ongelooflijk rotgevoel als je in wezen weet hoe het leven er uit zou moeten zien, en wat er nodig is om het zo te leven en het tegelijk niet te kunnen door wat je van jezelf weet. Dat er dingen in jouw persoonlijkheid zijn waardoor je er geen vorm aan kunt geven of niet over kunt brengen wat je bedoelt of wilt.
Is Mozes zo zijn hartstocht gaan wantrouwen? Heel vaak gebeurt dat in mensenle-vens. Dat is ons vaak al heel jong bijgebracht dat je hartstochtelijke gevoelens maar beter kunt wegstoppen of ontkennen waardoor ze dan vaak juist met jou op de loop gaan en er een vuur ontbrandt dat verterend werkt voor jezelf en meestal ook voor de omstanders: blinde agressie; sexuele uitwassen enz. En dat bevestigt dan weer dat het slechte gevoelens zijn waardoor ze onder nog grotere druk komen te staan. Jezus zelf gaat de woestijn in om de confrontatie aan te gaan met die gevoelens, ze er maar gewoon laten zijn om er mee om te leren gaan. Dan kan de kracht die in die gevoelens zit ten goede komen aan het leven en aan de wereld. Hoe kan die hartstocht een vuur worden dat níet verteert?

Op het moment van dit verhaal is Mozes met zijn kudde in de woestijn, achter in de woestijn. Ver van huis, ver van wat vertrouwd is, ver van zijn vrouw Sippora en zijn zoontje Gersjom. En nog veel verder van zijn volk dat in Egypte lijdt. Moet hij niet bij zijn volk zijn? Maar wat kan hij doen? Een nietig mensje is hij met kwalijke trekjes en andere onvolkomenheden. Een nietig mensje, een mannetje alleen in een onmetelijke woestijn, zelf ook aan angst en vertwijfe¬ling ten prooi. Wat kan hij doen? Wat kunnen wij doen in de wereldwoestijn?
Het is een zware tijd voor Mozes, terwijl hij met zijn beesten rond zeult en niet weet waar het naar toe moet in zijn leven. De hitte overdag, de kou ‘s nachts, de eenzaamheid, de tranen, de pijn, de teleurstelling over zichzelf, het zelfverwijt dat hij niet echt in de benen komt voor wat hij zo graag wil, hij voelt zich volstrekt verloren. Maar uitgerekend daar komt Mozes tot rust. Het is alsof een heleboel sporen in zijn leven opeens bij elkaar komen. En daar is het dat God in zijn leven verschijnt. De God van Abraham, Izaäk en Jacob. De God die je weghaalt uit zekerheden, die je het leven geeft, die met je worstelt.

Een jarenlang proces van omzwerven is gericht geweest naar dit moment. Dat wat God allang in hem had gezien en dat ook te maken heeft met die hartstocht van hem licht hier eindelijk ook voor Mozes op.
Zo kunnen we ook heel lang denken dat wij zelf het leven maken, zelf ons leven bepalen. Maar door alles wat je meemaakt, het steeds weer tegen dezelfde dingen opbotsen, leer je dat je je leven niet maakt maar het langzaam vindt. Je maakt jezelf niet maar je vindt langzaam uit wie je bent. Dat wat God al lang in hem had gezien en gevonden wordt nu door Mozes zelf ontdekt. Mozes hoort eindelijk vanuit die doornstruik die net als hijzelf in brand staat maar die anders dan hij, niet verbrandt, hij hoort hoe zijn hartstocht kan worden tot een vuur dat niet verbrandt. Eindelijk hoort hij helder en zuiver wat hij zijn hele leven al voelde, waar hij naar snakt en hij weet dat hij moet gaan, dat hij zich niet langer achter allerlei angst en schroom hoeft terug te trekken.

Hoewel! Mozes wringt zich eerst nog in duizend bochten om er onder uit te komen. Hij heeft geen hoge dunk van zichzelf en tegelijk wil hij nu eindelijk eens wat met dat vuur dat in hem brandt en dat hem dreigt op te branden omdat het teert op frustratie omdat het naar binnen dreigt te slaan. Bij hoeveel mensen gebeurt dat wel niet dat wanneer de hartstocht geen plek krijgt dat die zich omzet in agressie en verongelijkte gevoelens waar je geen raad mee weet en die je beslist niet mag tonen en die zich dan vervolgens naar binnen richten en je opbranden en uithollen. Terwijl aan de buitenkant de beheersing er af straalt.
Op de een of andere manier kan dat een vuur worden dat niet verteert en niet opbrandt omdat het zich voedt aan een onuitputtelijke bron, aan God zelf.

Mozes had geen hoge dunk van zichzelf. Kiest God daarom een doornstruik om zich te laten zien? Een doornstruik die nergens goed voor is, die in die tijd gold als de meest waardeloze struik. Lag voor God daar het aanknopingspunt met Mozes? Hoe laat God zich aan ons kennen? Misschien ook wel in een aspect van ons waar we niet goed raad mee weten maar wat een andere kant heeft, een opbouwende, heel makende kant die bestand is tegen de eeuwigheid.

Twee grote vragen vandaag. Maar in wezen allebei vragen naar opstanding. Opstanding na dit leven en opstanding in dit leven.

Lied 800:1,2,4

Lied 978: 1 en 2