zondag 2 mei * zondag Cantate * ds. Henk Haandrikman

Orgelspel

Woord van welkom         door ouderling van dienst 

Zanggroep                      Lied 296 intussen aansteken kaarsen 

Groet en Bemoediging 

Inleiding
Zondag Cantate, Zondag ‘zingt’. Hoelang zingen we al niet meer met elkaar. Al bijna 14 maanden! Dat is toch wel één van de dingen die het meest worden gemist. Vroeger was er een radioprogramma: “Ik geloof en daarom zing ik”. Bij mij is dat misschien wel andersom: “Ik zing en daarom geloof ik”.

Tijdens mijn theologiestudie in Amsterdam was ik wat weggeredeneerd geraakt van wat geloven is. Het was allemaal reuze interessant maar… raakte het mij ook nog?

Op een zondagmorgen wilde ik weer eens naar een kerkdienst en ik koos de Oude Kerk. Een grote kerk, een beetje zoals de Zuiderkerk, met een kleine gemeente. Zonder aankondiging, buiten het zicht van de gemeente begon de Sweelinck Cantorij de dienst. Uit het niets, zo leek het, vulde de kerk zich met prachtige zang. Het raakte mij diep en ik beschouw het als een soort bekeringsmoment.

Zo kun je je ook afvragen: is de bron van ons zingen dan ons geloof? Of is het ook andersom? Zingen we omdat we geloven óf is het eerder zo dat we zingen om te geloven? Psalm 98 zegt het toch net iets anders: ‘Zingt voor de Heer een nieuw gezang, want Hij heeft wonderen gedaan.’ Het zijn Gods wonderen, Gods Woord en Gods daden, die het zingen in ons losmaken. Dáar ontspringt het lied; en ook al zouden wij niet meer geloven en de tent van de kerk moeten sluiten bij gebrek aan geloof en gelovigen, dan nog zou -om met diezelfde psalm te spreken- ‘de zee en haar rijkdom haar stem verheffen.. en de rivieren in hun handen klappen en de bergen jubelen voor het aangezicht des Heren’.

Zo zullen we moeten zeggen (en ik vind dat erg troostrijk): het loflied gaat vooraf aan ons geloof. En we zingen ons geloof niet zo zeer uit, maar we drinken het al zingend eerder in. Om het heel praktisch te maken: je kunt dus heel goed lid van de cantorij zijn of gewoon meezingen in de kerk zonder dat je zo zeker weet óf je eigenlijk wel gelooft. Het geloof of je geloofsbelijdenis is geen voorwaarde om het loflied te zingen, maar het geloof is een mogelijk gevolg van het zingen.

Of je nu zo uitgesproken gelovig bent of helemaal niet of enorm twijfelt. zingen lijkt ergens op geloven. Ik kan niet wachten tot we weer samen zingen.

Vandaag maken we gelukkig weer een klein begin. Mooi dat dat op deze zondag is.

We luisteren naar psalm 98. De psalm voor deze zondag Cantate.

Zanggroep                      Psalm 98: 1 en 2

Gebed om ontferming

Zanggroep                      Glorialied: psalm 98: 3 en 4

Lezing                             Johannes 15: 1-8

Zanggroep                       Acclamatie: 339f

Preek

In de evangelielezing van vandaag horen we één van de zeven  “IK BEN-uitspraken”.  Ze staan allemaal in het evangelie van Johannes.

IK BEN het brood, daar begint het mee en het eindigt met IK BEN de wijnstok. IK BEN het licht van de wereld (8:12), IK BEN de deur (10:7), IK BEN de góede herder (10:11,14), IK BEN de opstanding en het leven (11:25) en IK BEN de weg, de waarheid en het leven.

Als we het zouden willen vertalen:

Je redt het niet bij jouw brood alleen,
je raakt verloren in het duister van jezelf en van de wereld zonder dat Licht,
je verpietert en verschrompelt als je je deur dicht houdt voor vernieuwing en verandering,
je blijft iederéén achterna lopen als niet de góede herder je wegwijs maakt in het land van list en bedrog,
en dan ga je leven, sta je op uit wat doods is en doe je meer dan alleen het doodgewone
en zo kom je er achter waar de weg, de waarheid en het leven zichtbaar, voelbaar en tastbaar wordt.

En dan tenslotte – en dat is de lezing van vandaag – als je je door al deze dingen laat inspireren, als je die sapstroom door je heen voelt gaan, krijgt je leven de volle smaak van wijn.

Dat is leven na Pasen: uitbreken, uitbotten, opengaan, opstaan, groeien bloeien en vrucht voortbrengen.

Johannes schikt zeven beelden om Jezus heen en wil daarmee zeggen: zó is God zelf in deze mens aanwezig. Brood is het eerste beeld, Wijn het zevende. Die twee omsluiten de andere vijf en vormen met elkaar het ware gelaat, de betekenis van Jezus, deze unieke mens van God.

Want: “Ik ben”, – is ook de vertaling van de onuitsprekelijke naam van God.

Denk maar aan het verhaal van Mozes. U kent het verhaal, hoe hij in de woestijn een brandend braambos ziet, en uit het vuur een stem hoort die hem de taak geeft om Israël voor te gaan op de weg uit Egypte naar het beloofde land.

Wie bent u in Godsnaam, vraagt Mozes dan. ‘Ik ben’ zegt de stem, ‘Ik ben die er zijn zal’, en dan voelt Mozes dat hij moet gaan. Maar hij voelt ook weerstand. Wie ben ik, dat ik dit moet doen. Ik kan het niet. En bovendien: Ik wil het misschien wel niet. Die weerstand, die is herkenbaar, die is universeel.

Die weerstand hoort er bij. Al bij Adam die zich verbergt. “Mens waar ben je? Kom tevoorschijn. Voor mij één van de meest centrale vragen in de Bijbel maar ook ik mijn geloof. Ik kreeg dat ooit aangereikt van een rabbijn die vertelde dat er voor hem twee bijbelse uitspraken zijn die hij zich dagelijks te binnen wil brengen. “Mens waar ben je” en daarbij, omdat het heel eng kan zijn om tevoorschijn te komen in de naaktheid van je kleine-mensenbestaan, ook de uitspraak die volgens een rabbijnse telling even vaak in de Bijbel staat als er dagen in het jaar zijn: Vrees niet. We kunnen deze uitspraak daarbij zetten: Ik ben. Misschien met de echo daarvan: Wie ben jij?

Ja, dat roept weerstand op. Zo tevoorschijn te komen. Want wat stellen we dan voor?

Ik lees graag de dagelijkse strip in Trouw over Anton Dingemans. Een hele gemiddelde, wat saaie, brave man, met een heel gewone kantoorbaan. Ik herken veel in het dagelijkse geteutel en proberen daar wat zin in te vinden of aan te geven, je wat tobberig afvragen of het er nou wat toe doet en hoe zich dat verhoudt tot de grote vragen die op je afkomen. Je moet ergens iets van vinden, je moet overal een mening over hebben maar heb je die echt?  Dingeman doet zijn best maar holt achter van alles aan.

“Mens waar ben je?” Wat voor vijgenbladen vinden wij om onze naaktheid te bedekken? Of meer eigentijds in dit verband “Ze bemerkten dat zij naakt waren; zij hechten opiniebladen aaneen en bedekten zich daarmee”.

Tja, wat stellen we voor als die vraag op je afkomt: Ik ben – wie ben jij? Bij die vraag wordt er meteen een innerlijke weerstand voelbaar.

Want wat wordt er dan van ons gevraagd. We zijn al zo vaak overvraagd in de kerk, en namens het geloof.  Tallozen zijn daardoor afgehaakt. Dat kan het toch niet zijn. Dat heeft toch niets met bevrijding te maken en daar gaat het toch om. Nee, die kant moeten we niet op dat ons een schuldgevoel wordt aangepraat omdat we tekortschieten -nee.

Het gaat niet om moeten maar om durven. Het gaat om de moed om te zijn, zoals de theoloog Paul Tillich het noemt. En dan kom je in de buurt van Ik ben. Vreemd genoeg, hoewel we ergens beseffen dat daar die bevrijding ligt, voelen we ten diepste daartegen weerstand

We bevinden ons met onze weerstand – en dat mag een troost zijn – in het gezelschap van bekende namen: Abraham, Jeremia, Jona,  Petrus, Paulus en nog velen meer. Het mag een troost zijn omdat zij met het verzet en de paniek van de vraag: “Mens waar ben je”, ook die andere stem leerden verstaan: Wees niet bang, vrees niet. Je hoeft het niet allemaal uit jezelf te halen. Dat wil het evangelie van vandaag vertellen.

Hoe kom je tot bloei, hoe ga je open, hoe sta je op, hoe breng je vrucht voort?

Door je te laten enten op een sapstroom die geworteld is in die naam van God zelf: Ik ben, Ik ben er bij, Ik zal er zijn zoals ik ben: één en al betrouwbaarheid en onvoorwaardelijke liefde. Bestaat die? Ben je geneigd te vragen. Wat zie ik daarvan in de wereld, in de mensen, in de geschiedenis?

En bovenal: Wat zie ik daarvan in mezelf? Weerstand.

Kan het zijn dat ik daar iets van kan doorgeven? Dat kan zegt dit evangeliewoord.

Geënt op Christus. Hij is de mens met wie je mag vergroeien,

De wijnstok die zijn sappen moet halen heel diep uit de grond, tientallen meters soms, las ik. En dat jij aan die wijnstok vast zit, en dat de wijnboer je zal koesteren en vertroetelen, liefhebben en beminnen. Wat een heerlijke gedachte.

Zanggroep                       Lied 970

Collectepraatje

Gebeden

Zanggroep                      Lied 657: 1 en 4

Zegen

Orgelspel