Zondag 25 november * Zondag van de Voleinding

Openbaring 7: 1-4 en 9-17 en Marcus 13: 24-27

door ds. Henk Haandrikman en dr. Tj. de Boer

Aanvangslied 754:1

Bemoediging, groet en drempelgebed

Psalm 93

Gebed om ontferming

Kyrie en Gloria: Lied 281: 1,2,3,6,7

Gebed bij de opening van de Schrift

Lezing Openbaring 7: 1-4 en 9-17

Lied 412: 1,2,3

Lezing Marcus 13: 24-27

Lied 339a

Preek

Vorige week zijn we begonnen met het lezen van het boek Openbaring. Tot kerst staat dit bijzondere boek op het leesrooster.
Geschreven in een tijd toen het jonge Christendom zich verbijsterd afvroeg hoe de overwinning van Christus op het kwaad en op de dood zich verhield tot wat ze om zich heen zagen en wat ze aan den lijve ondervonden: geweld, vervolgingen. Ik kreeg een idee hoe onvoorstelbaar weinig een mensenleven toen voorstelde, toen ik onlangs een boek over de geschiedenis van Jeruzalem las. Hoe rijm je dat met die overwinning van Christus.
In die setting krijgt Johannes zijn visioenen. Hij ziet daarin hoe het kwaad door de wereld raast. Maar ook hoe er een andere geschiedenis is: die van het lam.

We horen over een boek. Een verzegeld boek – het boek van kennis en begrip, het boek van de toekomst. Met zeven zegels is het gesloten en niemand die het kan openen. Wie bepaalt de toekomst volgens dit visioen? Wie maakt de toekomst open? Zijn het de sterken, de machtigen, zij die geschiedenis schrijven? Niemand kan het boek open maken en Johannes barst in tranen uit. Loopt altijd alles dood? Dan wordt hij gewezen op een lam.
Een lam met bebloede kop. Iets zwakkers, iets kwetsbaarders kun je je niet voorstellen. Je blaast er naar en het valt om. En tot zijn stomme verbazing krijgt dat toonbeeld van zwakte het boek in handen. Kan dat wat worden?
In die troonzaal is daar geen twijfel over. Dat wordt ons toegeroepen uit Openbaring 5. Dat werd de jonge Kerk toegeroepen, een Kerk in de crisis met de politie van Nero op de stoep. een kerk die zich afvroeg waar God nou eigenlijk was en wat God eraan deed. U en ik, we zullen het telkens weer moeten leren dat God er alleen is als een geslacht lam, als een prooi van alles wat zich sterk noemt. Geen krachtige ingreep van bovenaf, maar het kleine vanuit de basis, van u en van mij. Dat wordt ons straks met kerst ook weer voorgehouden.
En dan gaat het boek open, de eerste zes zegels worden verbroken en Johannes ziet achtereenvolgens vier paarden, een wit paard, rood paard, een zwart paard en een vaalgeel paard. Ze zijn een beschrijving van wat telkens weer door de wereld trekt: de machtswellust, met in zijn gevolg nietsontziend geweld, dan de honger en vervolgens epidemieën. In elke tijd zijn ze aan te wijzen en actueel te maken: de krachten die die ons mensen en onze aarde bedreigen. Zo las ik afgelopen week in een geheel seculier artikel: De effecten van CO2 en andere broeikasgassen op ons klimaat zijn zwaar onderschat! Is het einde nu dan echt nabij, staan de vier ruiters van de Apocalyps recht voor onze deur?

Dit zijn de vormen van het kwaad die direct te herkennen zijn maar de vier ruiters gaan ook vermomd. Strijd vindt ook plaats in onze competitieve instelling, machtuitoefening in het klein – me too. Honger is direct gelinkt aan hebzucht. Black Friday. We putten de aarde uit , en wat is er veel dat verziekend om zich heen grijpt… Het is een sterk beeld, dat van de vier paarden van de Apocalyps. We komen ze tegen in de literatuur, in de kunst, in popsongs (Boudewijn de Groot. Ze worden gebruikt in een bekende relatietherapie waar ze staan voor vier vormen van miscommunicatie. Vier zegels…vier paarden.
Het vijfde zegel laat de slachtoffers zien en degenen die roepen: “hoe lang nog?” en het zesde zegel een vooruitblik op de consequentie van dit alles: uiteindelijke rampspoed. En dan, voor het zevende zegel wordt geopend valt er een stilte. Johannes ziet vier engelen op de hoeken van de aarde en zij krijgen de opdracht te wachten voor het zevende zegel geopend wordt. En dan ziet Johannes temidden van al dat geweld een heel ander tafereel. Eerst moet er benoemd worden dat dat niet alles is, dat er ook nog wat anders is.

Het boek Openbaring heeft dat voor velen een wat angstige associatie. Maar als je dit boek de gelegenheid geeft om op je in te werken, dan merk je meer en meer dat juist die donkere kant waar Johannes over schrijft, een fenomenaal knappe beschrijving is van de mensensamenleving toen, maar ook die van nu. We herkennen de draken en de beesten als de ontmenselijkende machten, waar je als individu zo weinig tegen in te brengen hebt, want je komt er niet onderuit ook mee te doen aan doorgeschoten consumentisme en alle ongelijkheid en vernietiging die daar mee gepaard gaat. (Black Friday).
We zien in dit boek hoe God alles in de strijd moet gooien, hoe het God ter harte gaat dat gewone goedwillende mensen worden weggedrukt en platgewalst. We houden met Johannes onze adem in: wie zal winnen in deze titanenstrijd. En we kijken mee met Johannes, hoe hij als in een glimp even achter de dingen mag kijken. Hoe in het donker van gevoelens van machteloosheid en pessimisme, even een deur opengaat en hij ziet hoe het lam, hoe datgene wat in Christus is opgelicht en wat openbaar moet worden, uiteindelijk zal winnen. Het boek Openbaring, ik hou niet op dat te benadrukken is een heel hoopvol en troostrijk boek maar ook reëel, want de strijd is gigantisch. Een vraag die daar bij komt is: hoe hou je het vol om die belofte, om dat visioen voor ogen te houden want zoveel om je heen lijkt een bewijs van de overwinning van de tegenkrachten van de chaos. Dat hou je alleen met elkaar vol. Daarom schrijft Johannes nadrukkelijk aan de gemeentes. Met de opdracht: hou die belofte levend in de wereld. Blijf waakzaam, laat je niet wegzakken in onverschilligheid!

In het gedeelte dat wij lazen, zien we hoe de uitverkorenen getuigen mogen zijn van die belofte. Hoe zij in hun aardse strijd voor gerechtigheid, hoe klein en bescheiden ook, medestrijders waren voor die eindoverwinning hoe het goede uit hun leven bouwsteen mag zijn van het Koninkrijk. Hun werken volgen hen na. Er wordt verteld van een grote schare die niemand tellen kan. Er wordt een getal genoemd: 144.000. Dat is niet 143.999+1, maar 12x12x1000. Een symbolisch getal waarmee de onvoorstelbaar grote schare wordt aangeduid, niet een kleine groep uitverkorenen waarbij je je afvraagt: hoor ik daar wel bij; nee een veelheid waarbij je je afvraagt: hoe is het mogelijk dat ik daar niet bij zou horen.
Ik wil niet verdoezelen dat er ook wel degelijk wordt gesproken over een scheiding die zal plaats vinden. Van schapen die van bokken worden gescheiden. Teksten die voor veel angst hebben gezorgd en dreiging die mensen uit de kerk heeft gejaagd.
Een scheiding, ja, maar niet tussen mensen in de zin van de één wel en de ander niet maar een scheiding in onszelf tussen de oude mens en de nieuwe mens, die zoals Paulus zegt, allebei in ons wonen. Dat wat bij die nieuwe mens, zoals bedoeld door de Schepper, dat dat a.h.w. uitgezeefd wordt uit ons totale bestaan. Daarbij hoort de houding, het levende besef, om je willen laten aanspreken door wat groter is dan jezelf, leven met verwachting, met bezieling. Als er al iets gewogen wordt dan is het niet of je goed bent geweest of zo, maar of er bezieling was, of je ruimte hebt gegeven aan je diepste verlangen: mens te worden naar Gods beeld. De momenten waarin je jezelf zo liet zien dat jij er leven door gaf. Niet heel groots maar zo dat midden in het alledaagse en het kleine en al te menselijke hoop wordt geplant in de onverschilligheid, geloof in cynisme en liefde in haat.

En daartoe worden wij opgeroepen, om daarin te geloven, waakzaam en nuchter te zijn en te volharden, trouw te blijven aan God en zijn gerechtigheid.
Hier, in het gewone dagelijkse leven, temidden van de mensen om ons heen. En wat er ook woedt zich breed maakt: deze levensstijl heeft toekomst… dat is wat Johannes voor zich ziet. Maar dat vraagt wat.

Dat is niet eenvoudig. Zeker niet in een situatie waarin je vervolgd wordt. Zouden we hier ook zitten als het riskant was? Als ik een risico liep als volgeling van een geslacht lam? Hoe houd je je dan staande? Met ogenschijnlijk niets in handen. Daarover gaat het boek Openbaring.
Midden in die verdrukking droomde Johannes en mogen wij ons als dromervangers van dat visioen leven. Het gaat over verlangen niet zozeer het leven na dit leven, maar het verlangen naar nieuw leven in dit leven. Om moed en hoop, te midden van de wanhoop. Om geloof tegenover de angst.

Lied 763

Presentatie door Tjeerd de Boer

Lied 675

Gebeden

Collecte

Slotlied 767: 1,2,3,4