Zondag 25 oktober * ds. Carola Dahmen te Oostzaan

Welkom en mededelingen

Bemoediging en groet

Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft,
die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet loslaat het werk van zijn handen.

Genade zij u en vrede van God onze Vader en Jezus Christus onze Heer,
Amen.

Kyriegebed

Heer onze God, behoed de mens die naar U reikt.
Met lege handen, roepend naar brood naar water.
Vragend naar vrede, een zin van het bestaan.

Behoed de mens, God, die naar U reikt,
Bewust of onbewust Uw naam spelt als de belofte: Ik-zal-er-zijn.

Heer onze God, zie om naar uw schepsel die geen plek krijgt om te leven.
Die geboren wordt om te sterven.
Geen zin, geen vrede, geen liefde kent.

Zie om naar uw schepselen, God,
Naar de groten en de kleinen, de mensen en de dieren.
Uw schepping in nood die kreunt en schreeuwt om U, Uw adem die doet leven.

Heer onze God, zie om naar uw schepping, naar allen, ook naar ons.
Wij die wanhopen, onder de lasten breken.
Wij die de woede en de boosheid omarmen.
Wij die steeds weer moeten leren om mens-onder-mensen,
Mens naar uw beeld te worden.

Kom tot ons, in dit uur, telkens weer.
In klanken, stilte, woorden.
In de adem die ons vertrouwen en hoop inblaast.
Kom tot ons met uw ontferming.
Amen.

Lied 304:1, 2, 3

Inleiding op de dienst

Schriftlezing: Job 38:1-15

Lied 850:1, 2, 3

Vervolg schriftlezing        Job 39:1-18

Lied 850:4, 5

Overdenking

Als je op internet googled naar Job en de afbeeldingen bekijkt, dan kom je heel wat kunst tegen van de bijbelse figuur Job. Job wordt dan meestal zittend op een mesthoop afgebeeld. De bijbel is heel expliciet. Job die alles had, rijk was, gezegend met kinderen, aardig, veel vrienden, hoog in aanzien, Job overkomt rampspoed na rampspoed. Hij verliest alles, zijn bezit, zijn kinderen en tenslotte ook zijn gezondheid. Van hoofd tot teen is hij overdekt met kwaadaardige zweren en terwijl hij op een mesthoop zit, krabt hij zich met een potscherf voor wat verlichting. Wat een naar en vreselijk beeld: Job op de mesthoop.

Het bijbelboek Job wordt vaak aangehaald wanneer het gaat over het lijden en het kwaad in de wereld. Wanneer het erom gaat dat je je afvraagt: waarom overkomt mij rampspoed? Waarmee heb ik dit ongeluk verdiend? Waarom helpt God niet, geneest God niet, zegent God niet meer?

Vragen die juist op dit moment bij veel mensen spelen. Covid 19, de corona-maatregelen die ons weer beperken, weer meer zieken, meer doden. Behandelingen in ziekenhuizen die worden uitgesteld, plannen die niet doorgaan, weer meer eenzaamheid, angst om zelf besmet te raken. En dan de geïrriteerdheid, ons ongeduld, de depressie en burn-out die mensen aangrijpen. De financiële ellende en de willekeur van regels. De boosheid en de roep van allerlei groepen uit de maatschappij: kijk nou, hoe zwaar de maatregelen ons treffen.

Wat een ellende toch allemaal. Het beeld van Job komt op, Job die op de mesthoop zit. Zitten wij niet ook op de mesthoop, in de ellende, moe, verdrietig, wanhopig?

Beste mensen, ik ken u allemaal natuurlijk niet. De meesten die nu meeluisteren zie ik niet eens. Dus ik kan het helemaal niet beoordelen hoe het met u gaat, in hoe verre u net als Job op de mesthoop zit of niet. Maar ik doe toch een gewaagde uitspraak. Een uitspraak die misschien niet iets is wat een pastor of een predikant hoort te zeggen, maar toch: Ik durf te beweren dat de meesten van ons niet op de mesthoop zitten. We kunnen ons heel zielig vinden, en oh, wat vind ik mezelf toch vaak zielig in deze tijd. En ja, het is naar allemaal. Ja, we worden er moe en verdrietig van. Ja, het is stom dat we niet mogen zingen, dat er geen koffie drinken is. Ja, die mondkapjes en al het andere, het is niet leuk. Als het financieel tegen zit, ontslag, anderen niet kunnen zien, ja, je wordt er wanhopig van. En wat missen we de nabijheid van anderen, het doet zelfs lichamelijk pijn dat gemis.

Maar dan nog: wij zitten niet op de mesthoop. Wij krabben ons niet met een potscherf. Niet eens in overdrachtelijke zin kun je zeggen dat wij zo zielig zijn. Als ik mensen voor me zie die net als Job op de mesthoop zitten, dan zijn het eerder zij die in vluchtelingenkampen een wc met honderden moeten delen. Zijn het zij wiens eten door sprinkhanen wordt opgevreten. Zijn het kinderen met opgeblazen buiken van de honger. Zijn het mensen die sterven, niemand die ze begraaft. Wij zitten niet op de mesthoop. De meesten van ons niet. Puh, het is eruit.

Het bijbelboek Job is een complex verhaal. Er zit zo veel in dit verhaal en makkelijk te begrijpen is het ook al niet. Ik wil dan ook niet eventjes het bijbelboek Job uit gaan leggen, maar vandaag slechts een aspect van het verhaal van Job belichten en dat vat ik kort samen als “in perspectief zien”. Eén van de aspecten die we kunnen leren van het bijbelboek Job is, om het allemaal in perspectief te zien.

Nadat Job alles verloren heeft, als een hoopje ellende met de potscherf op de mesthoop zit, ook nog op z’n kop krijgt van zijn “vrienden” die zoiets zeggen als “je zult die ellende wel verdiend hebben”, dan nog houdt Job het vol dat hij onschuldig is, rechtvaardig. Job vraagt uitleg bij God. Ja, hij klaagt God aan, waarom die die ellende toelaat, hij schreeuwt om rechtvaardigheid, om een antwoord van God.

De atmosfeer is geladen. Het bliksemt, het stormt. Job is ziedend, woedend, opstandig

“en de Heer antwoordde Job vanuit de storm”. Goddelijke of menselijke storm, het komt wel op hetzelfde neer. God en Job, Job en God, ze hebben een appeltje met elkaar te schillen. En hoe mooi, hoe menselijk kan de bijbel het niet beschrijven wanneer God het woordengevecht met Job aangaat. Wanneer God plaats neemt naast Job, op de mesthoop met Job de discussie aangaat.

God antwoordt Job. Nou… Op het eerste gezicht lijkt het niet op een antwoord. Job vraagt, Job schreeuwt naar God: “Laat de Ontzagwekkende antwoord geven, laat mijn tegenstander zijn klacht boekstaven! Ik kan van al mijn gangen rekenschap afleggen, fier als een vorst treed ik God tegemoet”. Job zegt dat hij niets misdaan heeft, dat hij altijd het goede deed, dat hij die mesthoop met geen cent heeft verdiend. En we hebben geen reden om hem niet te geloven. Zelfs God geeft hem op dat punt gelijk: “Ja, Job mijn dienaar. Er is niemand zo rechtvaardig als hij.”

Maar in plaats van een antwoord, vuurt God vragen af op Job. Fier, uit het onweer, het bliksemt en dondert. Het lijkt wel alsof God fixe ruzie maakt met Job. “Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Wie stelde haar grenzen vast? Wie strekte het meetlint over haar uit?”

Geen antwoord van God. Alleen maar vragen. Alleen maar duizelingwekkende diepten hoe de aarde en de schepping in elkaar zitten. Hoogten, breedten, diepten van deze wereld, dit leven, deze tijd waarvan wij nauwelijks iets, waarvan we niets weten. De Ontzagwekkende laat Job, laat ons, duizelen, sidderen en beven. In een afgrond kijken waarvan we de bodem niet zien. De hemel openen zodat het licht onze ogen verblind.

En tegelijkertijd neemt God Job bij de hand en kijkt met hem mee, zet de wereld, zijn leven voor hem in perspectief. God en Job, ze kijken samen naar de wereld, naar de schepping, het leven. Naar al die rijkdom, die schoonheid, de diversiteit, ook de duistere diepte om ons heen.

Een berggeit in verwachting, moederliefde van een beest waarmee wij niets te maken hebben. Een wilde ezel en een wilde stier, die niet door mensen te temmen zijn, vrij, naar zijn aard leeft, pure levensvreugde, oerkrachten, geen verplichtingen die de wilde beesten aan banden leggen. God schildert voor Job de naïeve vrolijkheid van een struisvogelvrouwtje. Onnozel is dat beest, niet de slimmste van de dieren. De eieren laat die liggen, het zou wel uitsterven zo’n beest, als God niet de zon zou gebieden de eieren te verwarmen.

Vrolijkheid, lol, spel, kleuren en geuren, kracht en liefde, instinct en wijsheid – God laat Job, laat ons een schoonheid van de schepping zien waarvoor wij meestal geen oog hebben.

En een stukje verder op, vertelt God over de oermonsters in de zee, Leviathan, nijlpaard, ook onderdeel van de schepping. De beesten die staan voor chaos en dood. Vandaag zouden we die beesten niet zo groot schilderen, maar juist microscopisch klein, een stekelig virus.

En toch, die oermonsters, zelfs daarin lijkt God plezier te hebben. Hoe vreselijk, hoe vreemd is dat? Ja, ze moeten wel de ruimte krijgen, zeker als mens moet je uit de buurt blijven van die monsters, van het virus, van de wilde dieren waarvan we nu zeker wel weten dat ze ziektes bij zich dragen waarvan je liever niet wilt dat ze op de mens overspringen.

Ergens anders wordt Leviathan als spelmaatje van de Eeuwige beschreven. Wat een duisternis, wat een bodemloze diepte. God kan toch niet plezier scheppen in een virus, in oermonsters die gevaarlijk zijn voor de mensen, die ons mensen doden?

Maar God laat Job, laat ons anders kijken, hij plaatst het in een ander perspectief. Niet vanuit de mens, niet vanuit onszelf, niet naar wat nuttig voor ons is in de schepping. Niet naar de dieren, de beesten kijken en hoe we ze kunnen gebruiken, slachten, opeten, voor ons eigen belang kunnen inzetten. God antwoordt Job en in het antwoord, in de vragen opent God een ander perspectief. Een perspectief waarin niet de mens, maar God, het leven, de ander het middelpunt is.

“Job”, zegt God, of zegt het tegen ons: “Je moet niet denken dat de wereld alleen maar om jou draait. Dat jij, de mens, het middelpunt is van het heelal. Ik heb gewoon plezier in de struisvogel, hoe onnozel die vogel ook is. Ik geniet van de beesten die geen nut hebben voor de mens. Ik hou van het nutteloze, het zo-zijn van de wereld. En ik ga me niet rechtvaardigen, waarom de wereld zo en niet anders in elkaar zit. Je zou het waarom toch niet begrijpen.” Zo lijkt God te antwoorden.

De wereld, de schepping, de natuur, het draait niet allemaal om ons. De mens staat niet in het middelpunt van het heelal. En te vaak denken wij mensen precies dat. Dat het allemaal om ons, om ons eigen ikje draait. Ook de kerk heeft dat maar al te vaak gedacht, denk maar aan het enorme verzet van de kerk tegen Copernicus en Galileo, tegen Darwin en alles wat naar evolutietheorie ruikt.

En hoe de kerk en veel christenen maar moeizaam in beweging komen om “nee” te zeggen tegen milieuvervuiling, tegen klimaatverandering. Om de milieubeweging niet als een linkse hobby weg te zetten, maar serieus te nemen en je manier van leven, je stemgedrag, je perspectief op de wereld, op God te veranderen.

God neemt Job bij de hand, God neemt ons bij de hand. En hij zet het lijden en het vragen van de mens in het perspectief van heel de schepping. Kijk toch wat er nog meer is. Kijk toch hoe mooi de wereld ook is. Kijk toch dat niet alles nut moet hebben, niet alles zinvol moet zijn. Dat niet alles verklaarbaar is. Kijk toch, duizelt het je niet? Je weet het toch niet allemaal, waarom en hoe de wereld in elkaar zit. Kijk toch, zo klein ben jij, jij mensje, en toch neem ik jou bij de hand. Geef ik jou antwoord. Ben ik jou nabij en neem je bij de hand. Denk je nou echt, dat ik jou in de steek laat?

Job zit op de mesthoop en God komt erbij zitten. En wij, ja, ik geef het toe, een beetje zitten wij toch ook op de mesthoop. Want zo kijkt God naar ons. God veegt ons verdriet niet van tafel, lacht niet over ons zielig gedoetjes. Maar God neemt ons serieus, hoe klein we ook zijn. Als mensen in wie God vreugde heeft. Niet omdat wij het middelpunt van alles zijn. Niet omdat onze ellende belangrijker is dan de ellende van anderen. Alsof je ellende met ellende zou kunnen vergelijken. Maar omdat voor God alles en iedereen groot is, hoe klein ook. Omdat God ons ziet in onze wanhoop en ons verdriet en ons serieus neemt, net zoals God heel de schepping serieus neemt. Wij tellen voor God, omdat de hele schepping voor God telt. De ezel, het rund, struisvogel, de grote en kleine monsters. De mensen en van hen het meest de kleinsten, zij die achter staan.

God houdt het oog op ons, op heel de schepping. Neemt niet alle ellende weg, verhindert niet alle verdriet. Ja, laat zelfs de dood bestaan. En waarom? Wij weten het niet. En daar krijgen we ook geen antwoord op. Maar we krijgen antwoord. Antwoord van een God die met liefde naar de schepping kijkt, voor wie het kleine groot is, die niet te beroerd is om naast ons te komen staan, om te worden als wij. Op de mesthoop, aan het kruis.

Een antwoord niet op alle vragen, maar een antwoord om mee te leven. Om een nieuw perspectief te krijgen, om hoop en vertrouwen in de toekomst te krijgen. Omdat er een God is die de grenzen van de aarde uitgemeten heeft, het lijden een halt toeroept, de dood zijn grenzen wijst. Een God die ons gelijk geeft wanneer wij roepen om licht en leven en vrede. God die ons op die weg voorgaat en zo het leven in een nieuw perspectief zet. Amen.

Orgelspel

Lied 978:1, 4

Gebeden

Goede God,

Zo vaak praten wij over U, niet met U.|
Zo vaak kijken we alleen maar naar onszelf, naar ons eigen soort,
Vergeten we dat we maar een klein deel van heel uw schepping zijn.
God, als we bedenken hoe groot dit universum is,
Hoe bijzonder de schepping in elkaar zit,
Hoe onmachtig we zijn, dat zelfs een klein virusje ons leven op z’n kop zet,
Dan voelen we ons klein, onbelangrijk.

Toch heeft U naar ons, de mens, naar een ieder van ons omgekeken.
U ziet in ons de mens die we zijn.
Klein, broos en toch oneindig veel waard.
In ieder van ons een vonk van U.
Raak ons aan met uw omzien, uw ontferming,
Opdat wij ons ook over anderen kunnen ontfermen.

Eeuwige,

We bidden voor al die slachtoffers van de pandemie.
Mensen die ziek zijn, mensen die sterven.
Mensen die eenzaam zijn, wanhopig.
Mensen die geen werk meer hebben, in financiële nood raken.
Mensen die juist overbelast raken door het werk.
Voor al die mensen die het voor corona al moeilijk hadden, die het nu niet meer weten.

Voor hen die hulp nodig hebben, in China en elders, voor opleiding, voor een perspectief.
God, help ons. Laat ons wegen zien om de pijn te verzachten.

Eeuwige, wij bidden voor de mensen die troost nodig hebben en voor de mensen die moeten en willen troosten.
Laat er geduld zijn, een luisterend oor.
Laat er begrip zijn, verruiming.
Geef woorden en geef stilte die heelt.
Wees zelf het antwoord op ons vragen. Kom tot ons in de stilte.

Collecteaankondiging

Slotlied 898:1, 4

Wegzending en zegen