Zondag 28 oktober * 23e zondag na Pinksteren

Jesaja 35: 1 t/m 3 en 5 t/m 7 en Marcus 10: 46-52

door ds. Henk Haandrikman, mmv kinderkoor Eigenwijs en “de Schatgravers”

Welkom

Intochtslied Lied 288 door Eigenwijs

Groet, bemoediging, Drempelgebed

Schatgravers

Psalm 138:1 en 2

Kyrie en gloria Lied 299j

Lezing Jesaja 35: 1 t/m 3 en 5 t/m 7

Lied 321

Evangelie Marcus 10: 46-52

Verhaal
Als je in Jericho langs het winkeltje van de pottenbakker Timeüs loopt, hoor je hem altijd zingen. Timeüs is een vrolijke man met een mooie stem. En meestal zingt zijn blinde zoon mee. Meestal… niet altijd… hij kan heel verdrietig zijn.

Timeüs’ voet trapt de draaischijf aan en met zijn handen maakt hij een mooie
pot. Schuin achter hem, op een bankje zit zijn zoon. Hij vlecht een touw waaraan zijn vader later de potten hangt. Ze zijn haast altijd samen, die twee. En als de pottenbakker ook maar even weggaat, klinkt het angstig: ‘Abba, waar ben je, Abba?’
Bartimeüs noemen de mensen hem dan ook. Dat betekent: zoon van Timeüs. Zijn eigen naam wordt nooit genoemd…

‘Abba,’ zegt Bartimeüs als het lied uit is, ‘Als u zingt is het net of het licht wordt. Dan vergeet ik alle nare dingen.’
‘Welke nare dingen dan, jongen?’
‘Nou, zoals gisteren bijvoorbeeld, abba. Toen ik even de weg op liep, kwam er zo’n enge wilde hond blaffend op mij af. Daar ben ik zo bang voor… En soms laten jongens uit de buurt mij expres struikelen of ze geven me een appel met een worm erin. Ik hoor ze lachen. O, dan zou ik wel dood willen zijn, abba. Dan is het leven zo donker.’
Timeüs wast zijn handen in een schaal water en droogt ze met een oude lap af. Zijn er tranen in zijn ogen?
‘Kom eens bij mij op de bank zitten.’
Hij pakt een boekrol van de plank en trekt zijn kind tegen zich aan. Bartimeüs betast de rol.
‘Gaat u voorlezen, Abba?’
‘Mmmm!’ antwoordt de pottenbakker. ‘Want over die duisternis, waarvan jij vertelde, staat in deze rol van Jesaja geschreven. Mensen kunnen elkaar zo’n pijn doen, hè? Maar als de messias komt wordt alles weer goed.’
Met zijn warme rustgevende stem leest Timeüs voor. Als druppeltjes troost vallen de woorden in Bartimeüs’ hart. Hoor! Eens zal er iemand die de wereld lichter zal maken en vrede zal brengen. Het is een afstammeling van koning David. Wie is dat? vraagt Bartimeüs. Ze noemen hem de Messias, antwoordt zijn vader. Duurt dat nog lang? Ik weet het niet jongen.

Het is jaren later. Bartimeüs is getrouwd en moet de kost verdienen door te bedelen. Elke dag gaat hij dan ook op z’n vaste stekkie bij de poort zitten. En als het even kan, loopt zijn vader met hem mee. Bartimeüs tikt met zijn stok tegen de muur. Een bedelnap en een waterkruik hangen aan de riem om zijn middel. Voordat zijn vader het oude kleed op de grond uitspreidt, kijkt hij goed of er geen slangen zijn.
‘Tot vanavond, hoor!’ zegt hij, ‘Dan kom ik je weer halen.’
‘Hebt u wat geld, alstublieft!’ vraagt Bartimeüs aan de mensen.
Rinkelend vallen de geldstukjes in zijn schaaltje. ’t Zijn meest kleine muntjes, niet zo veel waard, maar Bartimeüs en zijn vrouw kunnen er net van leven.
Niet iedereen is vriendelijk voor hem. O nee! Soms als het erg druk is en hij een beetje voor aan de weg zit, trappen ze op zijn benen. Dat doet erg zeer. Dan wordt hij nog uitgevloekt ook…
De laatste tijd moet hij weer vaak denken aan wat zijn vader hem vroeger voor las, dat er iemand zou komen die de wereld lichter zal maken want er wordt verteld dat er een heel bijzondere rabbi is die door het land trekt, Jezus heet hij. Overal waar hij komt gebeuren heel bijzondere dingen. Zou dat die messias zijn?
Wat zou Bartimeüs hem graag willen ontmoeten. En op een dag gebeurt dat ook. Moet je horen!

Wat is het vreemd stil op de weg. Waar is iedereen? Bartimeüs, op zijn vaste plaatsje, hoort vanuit de stad een geruis alsof er veel mensen praten. Het komt dichterbij. Plotseling rent een jongen de poort door, schreeuwend: ‘Daar komtie!’
‘Wie?’ vraagt Bartimeüs geschrokken.
Geen antwoord. Steeds meer voetstappen, gepraat en gelach.
‘Wie komt hier langs?’ roept hij, onderwijl wat naar achteren schuifelend.
‘Jezus van Nazaret!’ antwoordt iemand.
Wat?? Bartimeüs verstijft. Jezus? Echt? Dit is zijn kans. Zal hij iemand vragen hem naar Jezus toe te brengen? Nee! Ze zullen hem vast uitlachen en pesten. Hij moet Jezus zelf hebben. Dus begint hij hard te roepen: ‘Jezus, zoon van David, heb medelijden met mij.’
De omstanders schrikken ervan.
‘Stil toch!’ zeggen ze, ‘Hou je mond dicht. Zo mag je Jezus helemaal niet noemen.’
Maar Bartimeüs schreeuwt door: ‘Jezus! Zoon van David!’
Hij durft niet eens op te staan, bang door zijn knieën te zakken van de spanning. En ja hoor! Jezus heeft hem gehoord.
‘Roept hem.’ zegt hij.
Nu zijn de mensen ineens wel behulpzaam.
‘Komt goed joh. Sta op! Hij roept je.’ zeggen ze.
Bartimeüs weet genoeg. Hij springt op. Gooit zijn jas af en struikelt met zijn handen tastend voor zich uit naar Jezus toe…
Kon hij hem nu maar zien. Juist nu. Dan voelt hij op elke schouder een hand.
‘Wat wil je dat ik voor je doe?’ hoort hij Hem zeggen.
Dat ik weer kan zien, stottert hij.
En dan wordt het opeens licht om hem heen. Eerst was hij juist weer verblind door het vele licht en toen begon hij langzaam te zien . Bloemen die hij alleen maar had geroken, water dat hij alleen maar had gevoeld, de vogels die hij alleen maar had gehoord. Hij wilde Jezus bedanken maar die zei: jouw geloof heeft je gered, alsof ik het niet aan hem maar aan mezelf te danken had. Wat bedoelde Jezus daar nou mee?
Jaren later wist hij het. Alles was weer gewoon geworden, dat hij kon zien was niet meer bijzonder. Hij kon juist wel weer eens terug verlangen naar toen hij blind was want wat hij zag was vaak helemaal niet mooi. Het werd weer donker in zijn leven. De wereld is niet om aan te zien, dan doe ik liever weer mijn ogen dicht. Ik geloof er niks meer van dat het beter wordt. En toen opeens herinnerde hij zich weer wat Jezus had gezegd: jouw geloof heeft je gered. Ik geloofde toen in het licht en toen begreep hij dat je ogen niet alleen hebt gekregen om de mooie dingen te zien maar ook de nare dingen want dan kun je er misschien iets aan doen, dat kan niet als je daar je ogen voor sluit. Als je het wilt zien kun je misschien op jouw manier de wereld lichter maken. Zou Jezus dat hebben bedoeld?

Eigenwijs: Een blinde man

Overdenking

Er kunnen van die dagen zijn dat het voelt of er een grauwe mantel om je heen hangt. Sombere gedachten, verdriet of pijn nemen de kleur uit alles weg. Het weer doet er soms nog een schepje bovenop door als een grijze deken elk zonnestraaltje tegen te houden. Gelukkig breekt meestal een volgende dag de zon weer door en klaart ook je weer gemoed op. Maar soms blijft zo’n mantel als een last om je schouders hangen. Doordat een ziekte niet wil genezen, je somberte overgaat in een depressie of je ergens een blijvende handicap aan overhoudt.
Zo tekent Kees de Kort Bartimeüs (Markus 10:46-52), die op een kwade dag blind is geworden, in zijn platenbijbel: tot zijn nek gewikkeld in een grauwe zwartbruine mantel. Het rafelige losse eind van een bruine band doet denken aan de windsels van een mummie, net als de witte band om zijn hoofd.

U kent misschien de Kijkbijbel van Kees de Kort. In zijn tekeningen kan hij op een heel eigen manier de essentie van de bijbelverhalen naar voren doen komen.
Zijn tekening van Bartimeüs heb ik ergens in mijn bewustzijn opgeborgen en die kan ik ook zo weer oproepen. De tekening lijkt op het schilderij de schreeuw van Edvard Munch. Daarover straks meer. Ik zocht de tekening op internet om hem aan u te laten zien en tot mijn verrassing vond ik een commentaar daarbij van een collega (J. Verheule) van mij die op dezelfde associatie met het schilderij van Munch was gekomen. Ik leen haar inzichten. .

Bartimeüs is niet altijd blind geweest. Dat blijkt uit zijn antwoord op Jezus’ vraag wat hij voor hem doen kan: ‘Dat ik weer, opnieuw kan zien!’ Hij weet wat hij mist. En dat maakt een gemis vaak nog zwaarder. Sowieso had je als blinde in een tijd zonder braille en spraakcomputers geen enkel perspectief, gedoemd als je was de rest van je leven te slijten als bedelaar, in ruil voor onderdak bij een goedwillend familielid.
Zo’n leven maakt je afhankelijk en machteloos. Vreemd genoeg went dat voor de omgeving maar al te gauw. Binnen de kortste keren is de blinde bedelaar aan de kant naast de poort een vertrouwd beeld en niemand die zich nog afvraagt of het ook anders kan. Maar voor jezelf went het nooit. En als Bartimeüs op een dag, in de ongewone drukte om hem heen, opvangt dat Jezus met zijn discipelen voorbijkomt, komt alle opgekropte machteloosheid en frustratie eruit. Een ijselijke, wanhopige schreeuw snijdt door de lucht: ‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!!’
Maar ijselijker dan de noodkreet van Bartimeüs vind ik de reactie van de mensen om hem heen. Zijn hulpgeroep roept geen meegevoel op, alleen ergernis! Van alle kanten wordt hem toegesnauwd zich gedeisd te houden. Hoe kunnen mensen zo harteloos zijn?
Kees de Kort heeft de schreeuwende Bartimeüs afgebeeld op een manier die sterk doet denken aan het indringende schilderij De schreeuw van Edvard Munch, met zijn handen tegen zijn oren. Probeert hij zich te beschermen tegen het onbarmhartige gesnauw om hem heen? Zijn mond is opengesperd in een kreet om hulp, nog luider dan eerst. Zijn hoofd loopt rood aan. De uitleg bij het schilderij van Munch is dat daar niet de man op de brug schreeuwt maar dat de wereld schreeuwt en hij zijn mond van ontzetting opent en de handen tegen de oren slaat. Wat Bartimeüs roept is letterlijk: Kyrie-eleison. Dat is de roep die in de meeste kerkdiensten ergens in het begin klinkt. We horen de nood van de wereld en we verwoorden die. We willen daar niet aan voorbij gaan. Om het hoofd van Bartimeüs, voor zijn ogen langs is een verband getekend, alsof de kunstenaar wil aangeven dat het niet alleen om deze blinde gaat, maar om iedereen die door het leven gewond is.
Het resulteert in een beeld dat net zo hard afschrikt als dat het aangrijpt, net als bepaalde oorlogsbeelden of de aanblik van iemand die hopeloos lijdt. Het confronteert je met je eigen machteloosheid en kwetsbaarheid. Is dat waarom je soms net zo kunt reageren als de mensen rond Bartimeüs: afwerend, om jezelf te beschermen? Jezus doorbreekt die afweerreactie met de vraag de blinde bij hem te roepen. En dat zorgt voor een eigenaardige omslag. Het gescheld maakt plaats voor bemoedigingen: ‘Vat moed, kop op man, hij roept je!’

Bartimeüs gooit zijn grauwe mantel, de last van zijn bestaan, van zich af, springt op en rent op Jezus af, alsof hij al kan zien. En dan laat Kees de Kort zien dat onder die mantel een hemelsblauw kleed schuilgaat (als het kleed van Maria, de moeder van Jezus). In zijn blindheid is Bartimeüs het zicht op de hemel niet kwijtgeraakt. Ziekte en ongeluk brengen weinig goeds, maar het kan je wel wijzer maken. Juist toen hij blind was kreeg Bartimeüs vaak het ware gezicht van mensen te zien. En door wat hij over Jezus hoorde, is hij in hem de Messiaanse koning gaan zien die redding brengt: ‘Zoon van David’, ‘Rabboeni’, noemt hij hem met eerbied. Wie zal hij anders volgen op de weg van dood naar leven?
Als ik nogmaals kijk naar de schreeuw van Bartimeüs, denk ik: wat goed dat je je niet het zwijgen liet opleggen! En dan valt mijn oog op dat losse eindje aan zijn verstikkende kleed: een begin van bevrijding…

Lied 534

Collectepraatje

Collecte

Eigenwijs Met mijn handen samen

In memoriam

Gebed

Slotlied 423

Zegenlied door Eigenwijs

Na de dienst Eigenwijs: Het kriebelt