Zondag 3 maart * laatste zondag van Epifanie

Esther 7:1-8:2 en Lucas 6: 39-49

door ds. Henk Haandrikman

 

Aanvangslied 210: 1,2
Psalm van de zondag 44:1
Kyrie en Gloria 299e

De ontknoping nadert. Wat staat er op het spel? Haman, de Agagiet, nakomeling van Amalek, behorend tot het volk dat het lang geleden in de woestijn had gemunt op de achterhoede, op wat daar loopt aan zwakke, kleine mensen, die Haman die beraamt een moordaanslag op het hele Joodse volk. En waarom wil hij dat? Omdat de Jood Mordechai, de oudere neef van koningin Esther, het vertikt om voor hem, de hoge Haman, de hoogste hoveling aan het hof van koning Ahasveros te knielen. De koning vertrouwt Haman door en door en tekent ongezien een wet, een wet van Meden en Perzen, dat het volk van Mordechai ter dood zal worden gebracht. Het lot is geworpen, het duurt nog even, maar de dag van de genocide is bepaald.
In het hele rijk zijn de Joden in rep en roer. Dan haalt Mordechai zijn nichtje koningin Esther over om in actie te komen, hoe riskant dat ook niet in haar positie kan zijn. Tot dan toe is heeft zij verzwegen zij Joods is. Ze vat moed en nodigt de koning en Haman uit voor een maaltijd. Ze schept een geschikt moment om haar probleem aan de koning voor te leggen. Maar ze durft niet goed. Het worden een paar maaltijden.Durft ze niet of wordt het moment zorgvuldig gekozen?

Esther 7:1-8:2
1009

Lucas 6: 39-49
339a

905

Haman wordt gehangen aan de paal die hij voor Mordechai had opgericht. Een omkering van wat onontkoombaar leek, vastgelegd in een wet van Meden en Perzen.
In dit Carnavalsweekend lezen we het gedeelte uit Esther waar het joodse carnaval uit is ontstaan. Ja, ook daarin gaat het jodendom ons voor: in verkleedpartijen en optochten, veel drinken en allerlei gekkigheid: het Poerimfeest. Dit jaar valt het 21 maart. Het is een feestdag waarbij zelfs de religieuze voorschriften oproepen om vrolijk, zelfs dronken te zijn. De dag voor Poerim is een vastendag. Op die manier herdenkt men de vasten van Esther vóór ze koning Ahasveros benaderde om voor haar volk te pleiten. Bij Bijbelse feesten is dat de regel: dat er een vasten is voor een feest. Bij het christelijke carnaval lijkt dat andersom: eerst feest en dan vasten maar in wezen gaat het om een vasten voor het Paasfeest, dus ook hier die volgorde. Poerim heeft een aantal mooie gebruiken die rechtstreeks met het Estherverhaal te maken hebben. In de synagoge wordt het Bijbelboek Ester uit een rol (megilla) voorgelezen. Telkens wanneer de naam van Haman klinkt, wordt met een Poeriemratel lawaai gemaakt, op de tafel geroffeld en met de voeten gestampt. Zo wordt het kwaad overschreeuwd; men wil deze naam niet horen. Bij het feest hoort natuurlijk een feestmaal waarbij ‘Haman’s oren’ worden gegeten. Het zijn driehoekige koekjes (ze lijken op oren) gevuld met papaverzaadjes en allerlei zoetigheden. En het is zelfs de bedoeling dat je zoveel wijn drinkt dat je geen onderscheid meer kunt maken tussen ‘Vervloekt zij Haman!’ en ‘Gezegend zij Mordechai!’ Dat je niet weet of je lachen moet of huilen. Want het kwaad is er natuurlijk toch, ook al valt Haman in zijn eigen kuil en dat is nu reden voor feest want zo zal het zijn: het kwaad wordt omgedraaid. Het wordt met veel humor verteld en het laat ons, vaak zo serieuze en zwaartillende mensen in een lachspiegel kijken. Als je ziet wat voor een Oeteldonkse oelewapper die koning Ahasveros is, terwijl hij toch de leider van de toenmalige wereld moet voorstellen. Als je ziet hoe slecht die Haman is. Opzichtig slecht. Het is een uitvergroting van de werkelijkheid, hoewel de werkelijkheid met de huidige machthebbers al een karikatuur op zichzelf . Alsof de carnavalsparade aan je voorbij trekt. En dan weet je inderdaad niet of je lachen moet of huilen. De lachspiegel wordt ook ons voorgehouden, in de woorden van een collega: Wij die denken te weten wat goed is en ons permanent schuldig voelen dat we tekort schieten. Ach en wee roepen over president Trump, die ongegeneerd het eigen belang najaagt, maar daarin niet anders is dan de uitvergroting van onze eigen onbeschaamde kant. Die man is niet uit de hel omhoog gekropen. Hij is het product van een cultuur en een tijdsgewricht. Zoals wij dat ook zijn.
In al die waanzin vinden Mordechai en Ester een weg door te rade te gaan bij wat in hen is geplant: de tien geboden, de belofte van een wereld die plaats biedt aan alle mensen, omkering van het kwaad. Door te rade te gaan bij wat God zelf in de mensen heeft geplant: een besef van die andere wereld, een vonk van zichzelf.
God grijpt niet direct in. We zouden dat graag willen maar in onze levens zien we niet zoveel branden braambossen of wonderen zoals door Jezus gedaan. Maar toch zoals het lied ons toezingt: laat mij door de wereld gaan met open ogen, open oren om al uw tekens te verstaan. Dan is het aardse leven goed omdat de hemel mij begroet.
God grijpt hier niet direct in maar is te vinden in de wijsheid en moed van mensen als Esther en Mordechai. God verstopt zich daarin. Zo vertelt ook een verhaal .
Toen God klaar was met het maken van de wereld, wilde Hij voor de mensen een stuk van zijn eigen goddelijkheid op aarde achterlaten, een vonk van zichzelf, een splinter van de waarheid, een glimp wijsheid. God zocht naar een plaats om deze goddelijke vonk te verbergen, want, legde Hij uit, wat de mens al te gemakkelijk kan vinden, dat zou niet waardevol genoeg bevonden worden. Dan moet u de goddelijke vonk op de hoogste bergtop ter wereld verbergen, zei één van zijn raadgevers. God schudde het hoofd. Nee, want de mens is een avontuurlijk schepsel en hij zal vlug genoeg leren de hoogste bergtop te beklimmen. Verberg het dan, o Eeuwige, in de diepten der aarde. Ik denk het niet, zei God, want op een dag zal de mens ontdekken dat hij kan graven naar de diepste plaatsen der aarde. Midden in de oceaan dan, Meester? God schudde het hoofd. Ik heb de mens verstand gegeven, weet je, op zekere dag zal hij schepen leren bouwen die de grootste oceanen zullen oversteken. Waar dàn, Meester? riepen zijn raadgevers. God glimlachte. Ik zal het op de meest ontoegankelijke plaats verbergen, daar waar hij niet snel zal zoeken. Ik zal het diep in de mens zelf verbergen op een plek waar hij niet snel zal kijken: in zijn afhankelijke, wachtende, passieve, ontvangende kant. Je stille kant, je zwakke, onmachtige kant. Daar zal ik gaan wonen.
Hoeveel verhalen zijn er in de wereldlitteratuur over het zoeken naar die goddelijke aanwezigheid, naar de waarheid, naar de diepe wijsheid, naar de ultieme schoonheid, naar het meest waardevolle wat er is. Er wordt gezocht naar de graal, naar de ark, naar de steen der wijzen enzovoort. En als de mens er eindelijk toekomt om in zichzelf te gaan zoeken blijkt ook daar nog een lange weg te gaan. De langste reis is de reis naar binnen. God heeft de waarheid in onszelf verstopt. God, zegt Prediker, heeft de eeuwigheid in ons gelegd maar grijpen kunnen we die niet. Gij hebt ons bijna goddelijk gemaakt, zingt de psalm
Waar begin je te zoeken?
Dat zou dus kunnen in die dingen waar je misschien niet blij mee bent, waar je je klein in voelt en onbetekenend. Daar waar je niet verder kunt. Arm van geest ben je daar. Leeg genoeg om je te laten vullen met de volheid van Gods vrede, arm genoeg om toe te zijn aan de rijkdom van Gods liefde. Is dat wat er gebeurde met Esther?
Een boekje vol onverwachte omkering, een boekje vol humor. Maar humor met een serieuze veel dieperliggende basis. Het Estherverhaal is een aaneenschakeling van omkeringen. Met als boodschap dat wij ook in onze eigen levens de ommekeer kunnen veroorzaken; onze levens in eigen hand kunnen nemen en afwijken van het geijkte pad. Ester en Mordechai slaagden daar in door hun wereld op z’n kop te zetten.
Wees een Ester of een Mordechai. Die opdracht klinkt uit dit boekje. Neem initiatief, in je eigen leven. Op menselijk vlak, door in te grijpen waar ingrijpen kan en jij op die manier een betekenisvolle verandering teweeg kan brengen. Wees een Ester of een Mordechai. Zet je in waar je ziet dat het nodig is, om de omdraaiing teweeg te brengen.

Wij leven van de grote omkering. Hier wordt de heer een knecht. En hier wordt de knecht een heer. Het is onze identiteit. Ook al zegt de wereld dat er niks van klopt en zien wij er niets van terug in he het leven zijn beslag krijgt. Het is wel waar. Bij ons is het permanent carnaval. Wij spelen hier wat nog niet is: deze wereld omgekeerd. En ook al zien we er niets van en halen wij Haman en Mordechai steeds weer door elkaar: wij blijven dit carnaval vieren. Omdat het ons gegeven is. En zo lang wij het blijven vieren, zal de hoop blijven leven dat het er ooit van zal komen: deze wereld omgekeerd. Laten we daarvan zingen opdat het in ons gaat resoneren en wij als Ester en Mordechai, als het er op aan komt de hoop en de moed behouden.
In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. Amen

Lied 1001

gebed

collecte

Lied 657: 1 en 4

zegen