Zondag 3 november * Gedachtenisdienst

2 Samuel 1: 1-12 en Jesaja 40: 1,2 en 9-11

door ds. Henk Haandrikman en pastor Louise Kooiman

VOORBEREIDING  

Orgelspel                                                                                                                                                                                                                                                                                                                  
Welkom
Aanvangslied Lied 91a(melodie lied 98)
Groet
Bemoediging
Drempeltekst

God,
kijk ik terug
zover ik kan:
u bent er altijd.
Mensen niet.
Als ze tachtig worden
is het al veel.
En wie denkt nog aan ze
als ze dood zijn?
Mensen zijn geen god.
Mensen gaan voorbij.

Moeilijk is dat:
jong wezen,
oud worden,
dood gaan.
En als je ziet
wat er soms
met mensen gebeurt:
geen leven is het.

Daarom bid ik:
geef ook geluk, plezier.
Maak het zo dat mensen zeggen:
je kunt wel zien
dat er een God is.

En gaat u verder
met wat wij laten liggen.

Kyrie door de Cantorij

Gloria : lied 299c

DIENST VAN DE SCHRIFT

Gebed van de zondag

Schriftlezing: 2 Samuel 1: 1-12 en Jesaja 40: 1,2 en 9-11

Acclamatie

Samenzang: lied 23c 1-5

Preek

Lieve mensen van God,

Vandaag op deze eeuwigheidszondag gedenken we onze doden.
Allemaal op onze eigen manier, hebben we ons eigen verdriet. Missen we onze doden.
David, zo lazen we net, was er kapot van, hij scheurde zijn kleding stuk in diep verdriet, Saul de door God gezalfde koning van Israel en Jonathan zijn vriend, zijn hartsvriend, zijn niet meer. Beiden zijn dood, gesneuveld in de strijd. Mensen kunnen nog steeds verdriet hebben vanwege familieleden die zijn gesneuveld in de Tweede Wereldoorlog. Is het het offer waard geweest?
Het grote verdriet van vaders en moeders die hun kind kwijtraakten, die vochten voor de vrijheid. Maar wat is de prijs hoog.
David heft een klaaglied aan: `Jonathan, mijn broeder, ik houd van jou en nu ben je voor altijd weg`. Het verdriet van David is intens.

Iemand schreef mij onlangs een kaart. Zij schreef: ‘Bij het zien van de vele doden die regelmatig langskomen in de media komen veel herinneringen boven aan het verlies van mijn eigen dierbaren’. Het trof mij. Ik weet iets van haar levensverhaal, het grote verdriet, het immense gemis. Alle radeloosheid van toen kwam weer boven bij het zien van verdriet en dood van anderen. Het zien en meevoelen van andermans verdriet, kan zomaar het eigen verdriet wakker roepen.

Alsof het had liggen slapen of verdoofd was geraakt of net even minder vooraan lag in je gevoel. Ineens is het er weer. En je gevoel bedriegt je niet. Echt verdriet gaat nooit helemaal over. Dat blijft als een schaduw met je meegaan. En de man of de vrouw of het kind waarover je treurt, staat ineens weer in het volle licht, alsof het gisteren was.
Ja, het is vandaag voor velen een moeilijke zondag. Deze dag van gedenken. Maar ook een goede dag want met het noemen van de naam of het in stilte branden van een kaars voor je geliefde dode weten we dat die ander niet is vergeten. En dat willen we ook niet want die ander is een stuk van ons zelf geweest.

En dan lezen we vandaag over de troost, Troost, troost, mijn volk, lazen we in Jesaja. Misschien zoekt u het hier vandaag in deze kerk, samen met mensen die ook een geliefde hebben verloren. Misschien de woorden of de muziek die hier klinkt. Want voor velen kan muziek troostend zijn als woorden te kort schieten. Maar wat is dat eigenlijk troost?
Hoe troost je iemand die een geliefde heeft verloren aan de dood.
Wat moet je zeggen? Welke woorden gebruik je? Moet je wel woorden gebruiken? Is een arm om iemand heen, een helpende hand of een luisterend oor niet veel troostrijker? Gewoon aanwezig zijn. Zwijgen en samen een kopje koffie drinken. Een bakkie troost.
In mijn werk als pastor heb ik veel te maken met situaties waarin mensen getroost willen worden. Maar vaak hoor ik in gesprekken met een rouwende en in mijn rouwkringen dat anderen met goedbedoelde troost er soms volledig naast schieten.

Een man, die geen kinderen had en wiens vrouw was gestorven vertelde me eens dat hij een bekende tegen kwam die vroeg hoe het met hem ging. Hij vertelde van haar dood en die ander vroeg hoe oud zij was. Bijna tachtig zei hij. De bekende wilde hem troosten met de woorden. Bijna al tachtig, Mooie leeftijd, joh er zijn er jonger gegaan. Iedere keer als ik de man sprak vertelde hij mij dit verhaal en hij voelde zich boos en verdrietig door deze onbedachtzaam uitgesproken woorden die wellicht troostend waren bedoeld.
U kent misschien wel meer van die goed bedoelde woorden van: de tijd heelt alle wonden of God zal er wel een bedoeling mee hebben gehad. Of ik begrijp je en weet precies wat je bedoelt. Meestal begrijpen we die ander ten diepste niet ook al doen we zeker wel ons best.
Met ons eigen verhaal komen, wat wij hebben meegemaakt, is het laatste waar een rouwende op zit te wachten. Na zo´n verhaal voelen mensen zich nog eenzamer dan ze al waren. Ze staan er alleen voor en voelen zich onbegrepen. Want rouw en verdriet maakt mensen vaak eenzaam en alleen.
Maar hoe troost je iemand? Wat is eigenlijk troost?
Troost is voor iedereen anders.
Na een groot verlies zoeken mensen vaak naar woorden van troost voor zichzelf.
Voor de een is het mooie herinneringen aan vroeger tijden. “We hebben het samen goed gehad”, hoor ik vaak nabestaanden zeggen. Herinneringen kunnen een troost zijn. Of dat men blij is dat het lijden voorbij is, dat die ander nu geborgen mag zijn in Gods liefde.
“Wie weet hoeveel lijden er bespaard is gebleven”. En al is het dan misschien een schrale troost, ook een schrale troost is een troost.

Hoe we troost vinden is voor iedereen verschillend.
Voor de een is het muziek of een klein plekje, een altaartje in het huis met een foto en een kaarsje, voor anderen de stilte of juist het spreken over de ander.
Iemand vertelde mij dat bij het condoleren gezegd werd: hij, de overledene, was een parel aan mijn ketting, Hem gekend te hebben heeft mij veel rijker gemaakt en die rijkdom blijft in mijn leven. Die woorden kunnen troostend zijn. Een verlies doet pijn, maar het betekent ook dat het goed was dat die ander er was.
Maar troost is geen recept dat je uit kunt schrijven en op kunt halen bij de apotheek. Troost is iets dat gebeurt in een concrete situatie. Ooit schreef Ter Horst in zijn boek over troosten en verdriet dat troost een hulp is bij het gevecht bij het lijden. En die hulp heeft veel gezichten. Ieder lijden is namelijk weer anders en zeker ieder mens.

Veel mensen ervaren troost doordat de ander respect heeft voor het verdriet. Men wil gezien en erkend worden in het gevoel van wanhoop en gemis. Acceptatie en vertrouwen van de mensen om je heen is belangrijk, die ander rouwt en geef hem of haar daarvoor de ruimte, ook al is hij of zij anders dan voorheen. Geef de tijd, want ieder proces is anders en voor de een duurt het langer dan de ander. Laat de ander er niet alleen voor staan. Een bloemetje, een kaartje, een bezoekje. Houd elkaar vast.

In Jesaja wordt gesproken over troost. Het volk Israël zat in ballingschap, ver van alles wat vertrouwd was, Onvrijwillig gastarbeider. Weggevoerd, een vreemde in een land dat ze niet kenden en hard werken en een onzekere toekomst. Natuurlijk een beeld van alle tijden, kijk maar in de krant of naar het journaal.
Of misschien nog wel dichterbij, we hoeven alleen maar in de spiegel te kijken.
Wie is werkelijk vrij van angsten, lijden, dwanggedachten. Het beloofde land is soms ver weg. En dan spreekt Jesaja: Troost, Troost mijn volk.
Hij troost met de woorden, dat er een eind komt aan hun lijden..
Het volk heeft lang genoeg in duisternis gewandeld. Nu daagt het in het oosten.
En vervolgens legt Jesaja uit wat die troost inhoudt. In stem en tegenstem wordt uigelegd waaruit die troost bestaat.
Een stem roept in de woestijn. En daarbij hoeft u niet alleen aan de woestijn in Israël te denken. Maar zeker ook aan de woestijn van de ballingschap van het joodse volk. Of in de woestijn van het verdriet om een verloren geliefde, van u en van mij. De woestijn van eenzaamheid, van ziekte en angst.
De woestijn van verwarring als degene die van je houdt er niet meer is. Een stem die roept in de woestijn. En die stem is als een arm om je schouder, en die stem spreekt van bevrijding. Van bergen die verlaagd worden en valleien die verhoogd worden, van ruig land dat bewoonbaar wordt.
Maar er is een tegenstem die zegt: Ach roepen? Wat valt er te roepen. Het leven is net als het gras, als een bloem. Vandaag is het er en morgen niet meer.
Inderdaad het leven is kwetsbaar, zegt de stem weer. Maar Gods woord houdt stand. God zal erbij zijn. God laat je niet in de steek. Stel je open, wees ontvankelijk. Open je hart voor zijn aanwezigheid, als een herder zal hij zijn kudde weiden. Het is de belofte die Jesaja ons voorhoudt. In stem en tegenstem. Troostrijke woorden, maar niet zonder ook de donkere kant recht te doen. Het is niet alleen maar rozengeur en manenschijn. Want de bijbel is niet een boek van alleen maar troostende woorden. Het is niet een boek van stil maar wacht maar, alles komt goed. Want alles komt niet altijd goed.

Maar tegelijk is de bijbel niet een boek zonder troost. Maar de bijbelse troost ligt niet in de eerste plaats in het verleden of het heden. Het is niet in de eerste plaats troost als herinnering aan die goede oude tijd. Aan dierbare momenten, zeker dat kan ook troost zijn. Maar troost is in de bijbel in de eerste plaats verwachting, verwachting dat God er bij zal zijn.
Het is straks advent, de tijd van verwachting
Bijbelse troost is gericht op een beloftevolle toekomst. En op die belofte mag je vertrouwen. In de Bijbel is troost ook vertrouwen. Vertrouwen op een Herder die zijn kudde weidt. In zijn armen de lammeren bijeenbrengt. Wij mogen ons gedragen weten door een God die ons niet loslaat. Dan raakt de hemel de aarde en de aarde raakt de hemel.
Wij branden hier vandaag kaarsen, lichten van herinnering.
Maar ook die grote paaskaars als teken van een God die ons nabij wil zijn.
En in de verte gloort Kerst. Het licht der wereld in de duisternis. Hij deelt ons bestaan. In vreugde en verdriet. Hem verwachten wij. Amen.

Orgelspel

GEDACHTENIS VAN DE GESTORVENEN

Samenzang: lied 961

Bij elke naam willen we een licht ontsteken aan de paaskaars. Deze brandt in onze kerk omdat we geloven dat Jezus het Licht van de wereld is. Steeds worden wij er aan herinnerd om in zijn Geest met elkaar te leven. Steeds steken we ons licht bij Hem op.
Onze dierbare overledenen hebben ieder op hun manier geprobeerd te leven in dat Licht. Ter herinnering aan hun leven ontsteken we de kaarsen. Met respect noemen wij hun namen en zijn dankbaar voor het licht dat zij onder ons verspreid hebben. De kaarsen staan in de vorm van de Griekse letter Omega, de laatste letter van het alfabet. Verwijzend naar Jezus, die zegt: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.

Samenzang: lied 730

Het noemen van de namen
afgewisseld met coupletten van lied 736:

.…………en alle namen die leven in ons hart

Samenzang Lied 962

Voorbeden afgewisseld met “Dichtbij is God voor wie Hem roepen” (steeds twee keer:
eerste keer Cantorij, tweede keer allen

Inzameling van de gaven voor hospice Dignitas te Hoorn,
intussen zingt de Cantorij: Verlei huns Frieden – Mendelssohn

Slotlied: (melodie Liedboek 1973 412) Cantorij: vers 1; allen: vers 2

Nu nog met halve woorden hier en daar
kijkend in donk’re spiegels, bijna waar,
blijven wij vreemden die zien en weer vergeten,
doen in den blinde wat moet, maar ongeweten.
Dan, eenmaal, wordt wat niet bestaat: wij zullen opengaan
en zien en horen, oog in oog, van mens tot mens verstaan.

Weten voorbij aan alle angst en schijn,
en liefde, liefde zal geen woord meer zijn.
lichaam en zwijgen genoeg, en onze namen
rusten in licht als leeuw en lam te samen.
Nu nog verslaafd, dan waar en vrij, ontketend, onverbloemd.
nu nog in tranen, dan getroost en met mijzelf verzoend.

Zegen

Uitleidend orgelspel