Zondag 31 maart 2019 * zondag Laetare

Genesis 32:23-32 en Lukas 15:11-32

door ds. H.G. Haandrikman

Aanvangslied 275: 1,2

Na kruiswoord 275: 4,5

Psalm van de zondag 122:1

Kyrie 301k

lezing: Genesis 32: 23-32
Lied 827

lezing: Lucas 15:11-32
acclamatie: 339a

Preek

‘Een zeker mens had twee zonen’.

Vaders en zonen. We komen ze in de Bijbelse verhalen veel tegen. Adam had twee zonen: Kaïn en Abel, Abraham had twee zonen: Ismaël en Izaäk, Izaäk had twee zonen: Ezau en Jakob. En vaak is er spanning tussen die twee. In sommige gevallen tot op de dag van vandaag: Ismaël staande voor de Arabisch-Moslimse wereld en Izaäk voor de Joods-Christelijke wereld.
Zonen van één vader.

Je kunt deze gelijkenis op vele manieren lezen. Je kunt de nadruk leggen op de jongste zoon, op de oudste zoon, of op de vader. Ja zelfs, zoals Fons Jansen doet, op nog een ander als hij de vraag stelt: ‘Wie was er niet blij met de terugkeer van de verloren zoon?’. Hij geeft zelf het antwoord: ‘Het gemeste kalf’.

Vanouds gaat de meeste aandacht uit naar de jongste zoon in de gelijkenis. We identificeren ons graag met de jongste zoon.
Er zijn uitleggers die zeggen dat het hele verhaal wordt verteld als achtergrond bij de oudste zoon. Want tegen wie vertelt Jezus dit verhaal? Tegen de Farizeeën en schriftgeleerden . M.a.w. tegen hen die het meest lijken op de oudste zoon. Degenen die precies weten hoe het hoort. Degenen die wrokkig zien hoe vrij de mensen zich tot Jezus wenden. Het gaat Jezus dan om hún terugkeer. Het verhaal eindigt wel met de terugkeer van de jongste maar is tegelijk onaf, want het is niet duidelijk hoe de oudste verdergaat. Hij is de verloren zoon, hij is nog niet thuis en daarom gaat het veeleer om de thuiskomst van de oudste. Want die is echt ver weg. Verloren in het vergelijken, verloren in de klacht dat er niet voldoende van me wordt gehouden of dat er vroeger minder van me werd gehouden dan van een ander. De klacht die kan worden tot een fundamentele twijfel of ik wel de moeite waard ben. Een twijfel die zich kan vastzetten tot de een overtuiging dat dat niet zo is: Een stem die bij alles zegt: ‘Zie je wel!’
Tot ik helemaal doof wordt voor die andere stem; de stem die mij thuis roept. Die mij net zo graag thuis heeft als mijn eigenwijze en afgedwaalde en kleurrijkere broers en zussen. Op een bepaald moment moet ik die stem die me de grond inboort, van me af zetten en mij openstellen voor de waarheid dat God mij net zo graag wil omhelzen.
Ja, je kunt je opeens realiseren dat je vaak veel meer trekken hebt van die oudste zoon.

Ik denk dat ze allebei in ons zitten. Twee zielen die in ons huizen, twee kanten van onze persoonlijkheid. Zowel de farizeïsche oudste broer en een jongere boemelaar. Ik zeg het even in de woorden van Nico ter Linden: Aan de ene kant zijn we plichtsgetrouw, gewetensvol, wij blijven op het rechte pad, treden daarmee in de voetsporen van onze ouders en verdienen zo hun genegenheid, hun liefde. Wij zijn anders dan dat broertje van ons dat alles doet wat God verboden heeft. Of zouden we dat leven van hem stiekem ook wel willen leven, maar doen we het niet, nee, niet omdat we zo braaf zijn, maar omdat we er welbeschouwd te bang voor zijn? Hoe dan ook er zit een verloren zoon van binnen, een verloren dochter, een minnaar van verboden vruchten, op zoek naar vrijheid zonder wetten. We zijn zo dubbel als wat: we zijn iemand die ’s nachts van de zonde droomt en die overdag net doet of het de droom van iemand anders is. Alleen wie die twee kanten van zichzelf in zichzelf herkent die beide kanten die zo verloren, zo ver weg kunnen zijn, die kan tot zichzelf komen, die kan thuiskomen.
Daar gaat het over: thuiskomen
Hoe kom je thuis? Thuiskomen is een reis waar je je leven lang over doet. Er zijn altijd weer stukjes van ons die weglopen en verdwalen, of die verstrikt raken in rancune zoals bij de oudste zoon. Voor we het beseffen zijn we ver van huis, met onze begerige fantasieën of onze van wrok vervulde gedachten. Hoe komen we weer in het huis der liefde?

Hoe komen we weer in het huis der liefde? Dat is denk ik de inhoud van geloven; je die vraag stellen. Hoe kom ik van het huis van wrok en angst en onverschilligheid en verharding weer op de weg naar de plek waar we werkelijk thuis zijn? Dan komen we in de buurt van de vader uit de gelijkenis. Dan kunnen wij een thuis vormen voor de ander. Dan zijn wij van zonen vaders geworden en van dochters moeders. Misschien wel onze eigen vader of moeder om een thuis te bieden aan het verloren en verdwaalde deel in onszelf. Dan wordt niet de vraag: hoe komen wij thuis, maar: hoe worden wij een thuis. Velen kennen het beroemde boek van Henri Nouwen: Eindelijk thuis. Daar gaat het over dit thema: thuiskomen en een thuis worden. Als we ons al kunnen identificeren met de jongste en de oudste zoon… als we trekken van hen beiden in ons zelf terugvinden, wijst Nouwen er op dat er ook trekken van die vader in ons terug te vinden zijn, op te diepen zijn, te trainen zijn.
Hoe is het om jezelf in de vader te herkennen? Wil je wel zijn als de vader? Wil ik niet alleen vergeving ontvangen maar wil ik ook vergeving schenken? Wil ik niet alleen welkom thuis worden geheten, maar wil ik ook anderen met open armen ontvangen?
Zowel in de kerk als in de samenleving wordt er voortdurend een heel subtiele druk op ons uitgeoefend om maar een afhankelijk kind te blijven. De kerk heeft eeuwenlang de gehoorzaamheid benadrukt, op een manier dat de gelovige het moeilijk heeft om zich te identificeren met de vader. De moderne consumptiemaatschappij moedigt ons aan om onze onvolwassen begeerten maar naar hartelust te bevredigen, met onder andere het gevolg dat we ook onze frustraties ongeremd gaan uiten, je hebt toch overal recht op?
Henri Nouwen zegt dat het er uiteindelijk op aan komt om de vader van het verhaal te worden.
Wij zijn kinderen van die Vader. En kinderen zijn erfgenamen. Willen we dat weten? Dat is de vraag die uit de gelijkenis van de twee zonen naar voren komt. De gelijkenis daagt ons uit volwassen te worden, het vaderschap op ons te nemen hoe verscheurend dat ook kan zijn.
Als kind van God ben ik erfgenaam van mijn barmhartige hemelse vader. Paulus zegt het : De Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn. Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.
Zo worden wij uitgedaagd om de opvolger te worden van de vader en zijn wij bestemd om zijn plaats over te nemen en aan anderen dezelfde barmhartigheid te betonen die hij ons heeft betoond. Terugkeren naar de Vader betekent uiteindelijk: zelf vader worden. Dat is de grote uitdaging.

Lied 908:4-7

Inleiding op gebed

lied 69:4

gebeden
collecte

Lied 978:1 en 4