Zondag 4 november * Gedachtenisdienst

Jesaja 60: 17-20 en Matteüs 5: 1-10

door ds. Henk Haandrikman, pastor Louise Kooiman en ds. Hanneke Borst

VOORBEREIDING

Orgelspel: Wenn wir in höchsten Nöten sein – Johann Seb. Bach

Welkom

Gemeente gaat staan

Aanvangslied Lied 717: 1,2,6,10

Groet Genade zij u en vrede
van God onze Vader
van Jezus Christus, de Heer
Amen
Bemoediging Onze hulp in de Naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft
die trouw houdt tot in eeuwigheid
en niet loslaat wat zijn hand begon

Drempeltekst (Piet van Midden, bij Psalm 90 – Liedboek blz. 246)

God,
kijk ik terug
zover ik kan:
u bent er altijd.
Mensen niet.
Als ze tachtig worden
is het al veel.
En wie denkt nog aan ze
als ze dood zijn?
Mensen zijn geen god.
Mensen gaan voorbij.

Moeilijk is dat:
jong wezen,
oud worden,
dood gaan.
En als je ziet
wat er soms
met mensen gebeurt:
geen leven is het.

Daarom bid ik:
geef ook geluk,
plezier.
Maak het zo dat mensen zeggen:
je kunt wel zien
dat er een God is.

En gaat u verder
met wat wij laten liggen.

Gemeente gaat zitten

Kyrie en Gloria : lied 299c

DIENST VAN DE SCHRIFT

Gebed van de zondag

Schriftlezing: Jesaja 60: 17-20
Samenzang: psalm 121
Gemeente gaat staan
Evangelielezing: Matteüs 5: 1-10

Acclamatie 339f

Preek
De zaligsprekingen. Zalig betekent dan zoiets als gelukkig – het echte geluk.
Gelukkig de armen van geest; gelukkig de treurenden; gelukkig de zachtmoedigen. Het opvallende is dat Jezus nergens zegt: ‘zalig of gelukkig zal je zijn als je aan die of die eisen voldoet, het lijkt veel meer te gaan over mensen die het niet zo precies weten, die niet zo zeker zijn van alles, die zich niet zo kunnen laten gelden. Het lijkt in de wereld immers precies andersom, dat juist diegenen gelukkig zijn die veel weten, die een dikke huid hebben, die een makkelijke babbel hebben.
Velen zeggen: Gelukkig de mensen die veel weten en alles kunnen,
want zij hebben het voor het zeggen op deze aarde.
Nee, ik zeg je: Geluk is er voor jou, wanneer je niets meer te verliezen hebt
want dan hoor je bij God thuis.
Velen zeggen: Gelukkig de mensen die zich gepantserd hebben tegen
alle narigheid, want zij hebben geen troost nodig.
Nee, ik zeg je: Geluk is er voor jou wanneer je niet oppervlakkig over alle ellende heen leeft, want je zult worden getroost.
Velen zeggen: Gelukkig de mensen die zich verweren kunnen,
want niemand zal over ze heen lopen.
Nee, ik zeg je: Geluk is er voor jou wanneer je een kwetsbaar mens bent,
want je zult wonen in het beloofde land.
Velen zeggen: Gelukkig de mensen die zich verzadigen aan de welvaart,
want zij hebben niets anders meer nodig.
Nee, ik zeg je: Heil is er voor jou wanneer je hongerig en dorstig blijft naar gerechtigheid, want daarin zul je vervulling vinden.
Velen zeggen: Gelukkig de mensen die hard kunnen zijn en ‘nee’ zeggen,
want zij houden veel voor zichzelf over.
Nee, ik zeg je: Heil is er voor jou wanneer je mild kunt zijn
want mildheid zul je ondervinden.

Nee zegt Jezus, gelukkig diegenen die het niet eenvoudig vinden om zich staande te houden want je mag geloven dat het anders gaat worden, dat er plek komt voor allen, daar mag je nu al troost uit putten.

In de zaligsprekingen richt Jezus zich tot de mensen die zich maar moeilijk staande houden.
Zalig de treurenden. Dat klinkt vreemd. Maar ergens is er het besef dat tegenover de diepte van verdriet ook de hoogte staat van troost, van weten wat er werkelijk toe doet. Misschien voel je dat nog wel het meest in de dagen vlak na een overlijden en wordt het juist moeilijker naarmate de tijd verstrijkt. Dan dient het gewone leven zich aan en je mist je dierbare alleen maar meer.

Dan is het goed dat er momenten in het jaar zijn dat je in een kerk terecht kunt met je verdriet. Dat daar plaats voor wordt gemaakt
Dat er anderen zijn die ook rouwen, en daar voor uit durven komen. Dat er ruimte is om te gedenken, een lichtje aan te steken, ruimte om tranen te laten stromen. Dat je ervaart dat jouw verdriet er toe doet. Dat je je niet abnormaal hoeft te voelen als je na jaren nog steeds niet de oude bent. Dat je niet de enige bent die zich afvraagt wat het leven verder nog voor zin heeft. Dat je niet vooruit komt, dat er niets uit je vingers komt.
In de woorden van een gedicht dat één van u mij aanreikte:

Verdriet kit al mijn krachten samen,
zodat ik roerloos word als steen.
Mijn hele wezen wordt materie,
een ondoordringbaar star mysterie,
o sla die rots opdat ik ween.

Dan is het goed dat er momenten in het jaar zijn dat je in een kerk terecht kunt met je verdriet. Dat daar plaats voor wordt gemaakt.

Vanuit onze christelijke traditie leeft het geloof, dat de liefde van God eeuwig is. Niets wat aan God toebehoort, zal verloren gaan. Zijn liefde is sterker dan de dood. In de dood, mogen we een druppel in de zee van Gods liefde zijn. In leven en sterven zijn wij kinderen van God. In rouw, verdriet en sterven, mogen wij opgaan in God. Hij in mij en ik in Hem.

Dat besef kan troosten. Maar het kan ook verzet oproepen want wanneer we eerlijk zijn, dan moet je de moed hebben te erkennen, dat onze levensreis momenten van intens verdriet kent. De dag met zijn licht en vreugde wordt onmiskenbaar afgewisseld door de nacht met zijn teleurstelling, woede en pijn.

Maar ook omgekeerd: Naast alle verdriet en pijn kunnen rondom het sterven van iemand ook zulke intens goede momenten zijn, waarin je je zo diep met elkaar verbonden weet dat de tijd stilstaat en de eeuwigheid zich even aandient in al zijn vrede, licht en goedheid.
Iemand die een naaste had verloren zei me eens: “het was niet alleen maar ellende”. In de nacht zijn er ook momenten van licht. Wezenlijke aandacht voor elkaar. Een diep besef van leven. Tijd die lijkt stil te staan. Eeuwig durende momenten van liefde voor elkaar. Momenten sterker dan de dood.

De gemeente van Christus leeft vanuit de opstanding uit de dood. Soms tegen beter weten in verkondigen we dat het leven het laatste woord zal spreken. Voor de dag zijn we geschapen, niet voor de nacht. Als mensen zijn we geroepen elkaar te doen opstaan uit ons verdriet. Laten we wel voorzichtig zijn met de taal van het geloof. Laten we eerst luisteren. Bij de ander zijn in zijn of haar verdriet. Kom niet te snel met een loos gebaar.

Wat kunnen we dan zeggen? Wat voor troost kunnen we vinden, kunnen we bieden? Troost start bij de erkenning van de rauwheid van het bestaan. Een echte trooster moet eerst met een weegschaal komen en dan pas met een fruitschaal. Laat in ons midden ruimte zijn voor twijfel, angst en teleurstelling. De gemeente van Christus is de plaats waar de nachtzijde van het leven niet wordt ontkend. Hier mag woede en machteloosheid worden uitgesproken. Hier mag zonder schaamte worden gehuild en geweend. In navolging van Christus zijn wij met ontferming bewogen. Geraakt en geroerd door het verdriet van de ander en onszelf. Te vaak wordt mensen hun verdriet door goedkope antwoorden ontnomen. Te snel wordt door de buitenwacht gemeend dat het gewone leven nu toch maar eens moet beginnen. Soms lijkt het er op dat de nacht van het leven wordt ontkend. Laten wij in naam van Hem die wij wij willen volgen, die in ons verdriet afdaalde wel aanwezig durven zijn in het lijden van de naaste. Misschien met stamelende woorden, een onhandig gebaar, maar wel authentiek betrokken. Dan nemen we de pijn van de ander serieus.
In het latijn is troosten consolari . Dat betekent ten diepste: met degene zijn die alleen is. Het woord solus, solo , zit er in. Met degenen zijn die alleen is gelaten met haar verdriet, zijn verlies, met haar nood. Troosten wil dan zeggen, binnengaan bij hem of haar die in zichzelf opgesloten is. Niet iedereen kan dat. Niet iedereen heeft de moed bij iemand aan te kloppen die zich achter zijn verdriet heeft verschanst. Niet iedereen heeft de moed binnen te gaan in een huis van rouw, waarin hij oog in oog komt te staan met de diepste nood en eenzaamheid en gevoelens van zinloosheid. Bij de ander zijn, wil ook zeggen: haar verdriet delen en bij haar blijven in haar verdriet.
De vrienden van Job doen dat, maar merken hoe moeilijk dat is. Ze kunnen de stilte van die eenzaamheid niet aan en gaan woorden spreken die ze hebben gehoord of gelezen, die niet echt doorleefd zijn en daarom de ander niet raken. Bij iemand binnengaan, betekent het uithouden in zijn huis van duisternis en verdriet. Als je dat doet, dan ervaart de ander jou als een engel van troost. Dan merkt hij of zij dat in jou de engel van God aanwezig is.
Om er zo te zijn als engelen van God.
Johann Sebastiaan Bach laat dat op indrukwekkende manier horen in een tenoraria: ‘Blijf gij engelen, blijf bij mij! Leid gij mij aan beide zijden, dat mijn voet niet uit mag glijden’. Het is een hartstochtelijk lied, waarin hij erop vertrouwt dat we niet met ons verdriet alleen gelaten zijn, maar dat de engelen van God ons begeleiden en bij ons blijven en het volhouden tot er ook weer een toon van dankbaarheid kan worden gevonden.
Wat kunnen we hier zeggen, wat kan ik zeggen?
Ik wens u toe dat u in uw verdriet ook door een dergelijke engel wordt getroost, dat hij u weer standvastigheid geeft, als u wankelt, dat hij goede woorden tot u spreekt, als u van verdriet sprakeloos bent, dat hij u opzoekt in uw eenzaamheid en u het gevoel geeft dat u niet meer alleen bent, dat er een engel naast u staat die meegaat op al uw wegen.
Zalig de treurenden. Dat klinkt vreemd. Maar ergens is er het besef dat tegenover de diepte van verdriet ook de hoogte staat van troost.

Orgelspel: Gnossienne 3 – Eric Satie

Cantorij: lied 733

GEDACHTENIS VAN DE GESTORVENEN

Want niemand van ons leeft voor zichzelf
en niemand sterft voor zichzelf;
want als we leven, leven wij voor de Heer
en als we sterven, sterven wij voor de Heer;
of wij dan leven of dat wij sterven, wij zijn van de Heer!
(Romeinen 14: 7 en 8)

Bij elke naam willen we een licht ontsteken aan de paaskaars. Deze brandt in onze kerk, omdat we geloven dat Jezus het Licht van de wereld is. Steeds worden wij er aan herinnerd om in zijn Geest met elkaar te leven. Steeds steken we ons licht bij Hem op.
Onze dierbare overledenen hebben ieder op hun manier proberen te leven in dat Licht. Ter herinnering aan hun leven ontsteken we de kaarsen. Met respect noemen wij hun namen en zijn dankbaar voor het licht dat zij onder ons verspreid hebben. De kaarsen staan in de vorm van de griekse letter Omega, de laatste letter van het alfabet. Verwijzend naar Jezus, die zegt: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Eerste en de Laatste.

We gedenken dankbaar: ….

Cantorij en gemeente zingen: lied 736

.…………en alle namen die leven in ons hart

Samenzang Lied 961

Voorbeden

Stil gebed

Onze Vader die in de hemel zijt
Uw naam worde geheiligd
Uw koninkrijk kome
Uw wil geschiede
op aarde zoals in de hemel.
Geef ons heden ons dagelijks brood
en vergeef ons onze schulden
zoals ook wij onze schuldenaars vergeven.
En leid ons niet in verzoeking
maar verlos ons van de boze.
Want van u is het koninkrijk
en de kracht
en de heerlijkheid
in eeuwigheid. Amen.

Inzameling van de gaven voor Hospice Dignitas te Hoorn,
intussen zingt de Cantorij: Jesu, joy of mans desiring

Slotlied: lied 416

Ga met God en hij zal met je zijn:
bij gevaar, in bange tijden,
over jou zijn vleugels spreiden.
Ga met God en hij zal met je zijn.

Ga met God en Hij zal met je zijn,
tot wij weer elkaar ontmoeten,
in zijn naam elkaar begroeten.
Ga met God en Hij zal met je zijn.

Zegen

Uitleidend orgelspel: Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ – Johann Seb. Bach

Degenen, die dat willen kunnen de voor hun dierbare ontstoken kaars en het naambordje mee naar huis nemen.

Na afloop van de dienst is er gelegenheid om elkaar te ontmoeten en koffie te drinken.

Cantorij o.l.v Jerry Korsmit
Ouderling: Jan Kooiman en Nico Groot
Lector: Arjan Stolte
Organist: Jan Spijker
Kosters: Aaf en Tjeerd Bielsma
Beamer: Simon Zoodsma