Zondag 5 juli * de heer J. Greven te Blaricum

orgelspel

welkom door ouderling van dienst
mededelingen
aansteken kaarsen

moment stilte

Groet en Bemoediging

gebed

lied 25a : 1, 2

gebed om ontferming

loflied: lied 338b (Halleluja)

lezingen Exodus 31 : 1 t/m 13
Lucas 23 : 50 t/m 56

Overdenking

De benoeming van Besaleël.

Kun je ooit aan God denken zonder aan jezelf te denken? Heeft dat zin? Heeft het zin aan God te denken zonder aan jezelf te denken? Over God te denken als aan iets of iemand buiten ons. Zoals je aan de maan kunt denken. Of een de zon. Heeft het zin over God denken zonder dat het je iets doet. Zonder dat je er door bewogen wordt.

Misschien hebt u wel eens, ergens in een ver en vreemd land, Thailand of Japan,  een boeddhistische tempel bezocht. Zo’n tempel met zo’n enorm boeddha beeld. Meestal zittend. Soms ook liggend.

De gids vertelt er van alles over. In welke eeuw het beeld gemaakt is. Wat voor steen er voor gebruikt is. Hoe lang ze er over gedaan hebben. Maar wat hij ook zegt, het blijft aan de buitenkant. Het blijft informatie. Het heeft niet te maken met ons. We kijken van afstand naar het beeld. We kijken van afstand naar de gelovigen. Kijk, ze vouwen de handen ter hoogte van hun hoofd. Ze klappen in de handen. Dat is om de aandacht van de goden te trekken, horen we. “Kijk, hier sta ik. Ik kom iets vragen. Ik klap in mijn handen let op mij. Luister naar mijn gebeden.”

Je denkt aan jezelf. Aan je eigen bidden. We klappen nooit in onze handen. Toch zoeken ook wij Gods aandacht.

Hoe doen we dat? Hoe zoeken we God? Eigenlijk lijken we wel wat op de mensen die in hun handen klappen om de aandacht van God of de goden te trekken. Met hun klappen proberen ze een verbinding met God te maken. En ook wij, in ons bidden, in onze stille aandacht, proberen ons met God te verbinden.

Er is een mooi gedicht van de Ierse dichter William Butler Yeats. Het bestaat uit drie strofen, met een refrein.

Like a long-legged fly upon the stream

His mind moves upon silence.

Het gaat over Cesar, de veldheer. Eenzaam in zijn tent. Kaarten voor hem uitgespreid zijn ogen nergens op gericht, zijn hand stut zijn hoofd. Het is stil in de tent. Doodstil. Caesar bereidt zich voor op een veldslag. De slag mag niet verloren worden. Onze beschaving hangt er van af. De hond wordt stil gehouden. De ezel wordt ver van Cesars tent vastgemaakt aan een paal. Alles vanwege de stilte. Cesar broedt op zijn plannen. Doodstil. Zoals een langpootvlieg vliegt boven de stroom. Doodstil. Zijn geest beweegt op de stilte.

Yeats vergelijkt de stilte in de tent met de geconcentreerde stilte van een langpootvlieg. Een vlieg die zweeft boven de stroom en doodstil hangt in de lucht. Like a long-legged fly upon the stream. rillend doodstil boven de stroom. Opperste concentratie.

His mind moves upon silence. zo beweegt de geest van Caesar mee met de stilte. de geest laat zich meevoeren door de stilte. Alleen de geest beweegt.

In het tweede vers van het gedicht zijn we in de kamer van Helena van Troje, nog drie kwart kind. Ze  waant zich onbespied . Haar voeten doen een op straat afgekeken dansje. Het is doodstil in haar kamer. Ze is volledig geconcentreerd op haar dans. Als zo’n vlieg met lange poten boven de stroom.

In het derde en laatste vers zijn we in de Sixtijnse kapel. Michelangelo is er aan het werk. Hij schildert zijn prachtige Adam op het plafond van de kapel. Met minder geluid dan een muis beweegt zijn hand op en neer. Opperste stilte, concentratie. Als vlieg met lange poten boven de stroom.

Een veldheer, de schoonheid van een vrouw, een meisje haast nog. Een kunstenaar. Aan het begin is er de stilte. Geen rustige, ontspannen stilte. Maar de gespannen, uiterst geconcentreerde stilte als de stilte van een vlieg, een libelle die roerloos, en tegelijk uiterst gespannen boven het water hangt. Uiterste inspanning. Diepe stilte.

Moet zo ook het zoeken naar God, ook een uitstijgen boven het alledaagse, niet zo beginnen?

Niet met woorden. Ook niet met vragen. Maar met de stilte, de concentratie die je ook vindt bij een generaal voor de slag. Schoonheid in zichzelf verzonken. Een kunstenaar in uiterste concentratie. Een langpootvlieg doodstil, met trillende vleugels hangend boven de rivier. Als je je zo eens op God zou richten.

De naam Besaleël, de naam van de maker van de Ark, betekent : Hij die verbleven heeft in de schaduw van God.

Voordat Besaleël aan het werk gaat, horen we van het gebod de Sabbat te onderhouden. Het gebod klinkt twee keer. Hier in hoofdstuk 32, vlak voor de geschiedenis met het gouden kalf alle eerdere inspanningen een Tabernakel voor God te bouwen heeft weggevaagd. En een tweede keer, in hoofdstuk, 35: 3, net voor het werk aan de Ark zal beginnen. In dat laatste  gebod zit een bijzondere bepaling.. Dat het op sabbat verboden is vuur te maken.

Terwijl vuur maken, vuur gebruiken, het smeden van metaal, het verhitten van hout om ze in een goede hoek te buigen, nu juist de essentie is van het vakmanschap van Besaleël. Voordat hij aan het werk gaat moet hij een vuurloze sabbat mee maken. Niet werken. Inkeren tot je zelf. De sabbat is er hier niet om zoals in de schepping bij de zevende dag uit te rusten van het werk. Het is een eerste dag om stil te zijn voor het werk begint.

Voor zijn werk aan de Ark is Besaleël persoonlijk benoemd door God.  “Ik heb hem uitzonderlijke talenten geschonken, wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied.” , zegt God.  In Besaleël zit dus iets van God. Een persoonlijk eigenschap is, maar afkomstig van God. Aan de ene kant  is Besaleël een zelfstandig kunstenaar, tegelijk is zijn vakmanschap een geschenk van God. Aan de ene kant iets persoonlijks, unieks. Aan de andere kant zijn talenten, zijn wijsheid als een geschenk van God. Het is alsof God iets van het goddelijke uit zichzelf heeft overgeschonken in het kleine vat van Besaleël. Zoals wanneer olie wordt overgeschonken van een groot naar een klein vat, zodat de olie uit het grote vat de wanden van het kleine vat doordringt. Waardoor groot en klein vat iets van gelijkenis hebben. Het kleine vat ruikt naar het grote.

Pas dat beeld eens toe op ons denken over God. Als wij over God denken, gebruiken we, niet anders dan Besaleël, onze talenten, onze wijsheid, ons vakmanschap. Tegelijk wordt ons iets geschonken door God. Iets van ons. Iets van God.  Als ik denk over God, denk ik tegelijk aan mijzelf. Wat ik over God denk komt van buiten en is tegelijk iets van mijzelf. Iets van Gods olie, uitgegoten in mijzelf.

En dat alles begint met de stilte van de sabbat. Een dag waarop het werk stil staat. Een dag van concentratie. Zoals de langpootvlieg boven de stroom. Zoals Cesar in zijn tent. Helena voor de spiegel en Michelangelo in de Sixtijnse kapel.

Vuur mag nog niet. Werk mag nog niet. Niet te gauw iets doen. Eerst stil alles zijn. Voelen. Talenten aanspreken. Wijsheid. Geschonken door God. Gods sporen in Besaleël. Gods sporen in ons. Vanuit die stilte maakt Besaleël een huis voor God. Smeedt hij het goud precies op de goede temperatuur. Gebruikt net dat ene moment met de goede temperatuur waarop hout, ijzer, edelstenen zich laten bewerken. Schept een plek waar God wil wonen.

De Ark draagt de sporen van Besaleëls  talenten en artisticiteit. Tegelijk laat het iets zien dat boven hem uitstijgt. Iets van God, iets van eeuwigheid. En toch gemaakt door een mens.

Persoonlijk met een vleug van eeuwigheid. Eeuwigheid dat als een parfum om het kunstwerk heen hangt. Een geur die verwijst naar de Eeuwige.

Stilte als het begin van een huis voor God. Toen ik daar zo over dacht, besefte ik dat er voor Pasen ook stilte was. Een hele dag. Een Stille Zaterdag. Ook een sabbat. De Zoon van God was gestorven. De aarde was leeg geworden en stil. En toch  was het niet de stilte van de dood. Het was een stilte die vooraf ging aan het nieuwe leven van Pasen. Die voorafgaat aan Gods Geest die bij ons komt wonen. In ons uitgestort wordt, zoals olie uit het grote vat uitgestort wordt in het kleine vat. Iets van God. Iets van ons. Wij als een huis voor god, zoals eerder de Ark een huis was voor God. Stilte. Geloof dat God de stilte vult en dat hij ons daartoe de talenten, het vakmanschap en de wijsheid gegeven heeft.

Als een vlieg die in uiterste spanning zweeft boven het water. Zo zijn wij geconcentreerd op God. Gereed om God in ons te laten wonen.

Iedereen heeft vragen over hoe over God te denken in deze Coronatijd.

We voelen dat de wereld is veranderd. We weten dat de dreiging van de pandemie tijdelijk is, maar het voelt niet zo. We hebben de normaliteit verloren. We vrezen de economische gevolgen. De toekomst is onzeker. We voelen een verlies van zekerheid.

Er is woede, droefheid. We moeten evenwicht vinden in onze gedachten, onze balans hervinden. Dat kan door ons in ons denken in het heden te plaatsen. Onszelf tegen het licht te houden. Zien hoe het met ons gaat. Bedenken wat we onder controle hebben. Wat we nog in eigen hand hebben. De regels volgen : afstand houden, handen wassen. Vertrouwen dat we doen wat we kunnen. Daarin maat houden. Betekenis vinden in het NU. Ondanks alle afsluiting en isolering de tijd toch ervaren als een geschenk dat uitgepakt mag worden.

Verdriet kun je benoemen als iets binnen in jezelf. Doe dat. Omschrijf het als eigen verdriet. Onze gevoelens van verdriet en angst zijn niet als een bende boosdoeners van buitenaf die ons overvallen en overheersen. Voel het verdriet, voel de angst, benoem het en maak het leven/ ons leven/ leven dat heel persoonlijk hoort bij mij/ open voor God, zodat we  vanuit het persoonlijke reiken naar God. Zoals de Tabernakel /een door mensen vervaardigd bouwsel/ reikte naar God.

God vervult ons met zijn liefde. Op onze eigen manier geven wij aan die liefde gestalte in ons leven. God geeft ons moed. Heel persoonlijk vullen wij de moed in die God mij geeft. God geeft het geloof van Pasen. Geloof om verder te gaan als de dood het laatste woord lijkt te hebben. Op onze eigen manier laten wij zien wat dat Paasgeloof voor ons  betekent. Hij overwint de angst. Hij geeft vrede en in mijn eigen woorden verwoord ik wat dat voor mij betekent.

Aan God kan ik niet denken zonder aan mijzelf te denken. Aan mij zelf kan ik niet denken zonder te denken aan God.

Maar het begint met stilte. Met concentratie. Wachten op God tot hij ons kleine vat vol schenkt met zijn genade. Ons leven als een plek waar God wil wonen. Zoals God wilde wonen in de Ark die Besaleël voor hem maakte.

Like a long-legged fly

That civilisation may not sink,
Its great battle lost,
Quiet the dog, tether the pony
To a distant post.
Our master Caesar is in the tent
Where the maps are spread,
His eyes fixed upon nothing,
A hand upon his head.
Like a long-legged fly upon the stream
His mind moves upon silence.

That the topless towers be burnt
And men recall that face,
Move most gently if move you must
In this lonely place.
She thinks, part woman, three parts a child,
That nobody looks; her feet
Practise a tinker shuffle
Picked up on the street.
Like a long-legged fly upon the stream
Her mind moves upon silence.

That girls at puberty may find
The first Adam in their thought,
Shut the door of the Pope’s chapel,
Keep those children out.
There on that scaffolding reclines
Michael Angelo.
With no more sound than the mice make
His hand moves to and fro.
Like a long-legged fly upon the stream
His mind moves upon silence.

Orgelspel

Lied 591: 1, 4, 5, 6

Gebeden afgesloten met oecumenisch Onze Vader

Slotlied: lied 910 : 1, 2, 4

Zegen

uitleidend orgelspel