Zondag 8 augustus * de heer G.J. de Graag *

Orgelspel

Welkom en afkondigingen (door ouderling)

Lied 221: 1 en 3 (gemeente staat)

Groet              Genade zij ons en vrede van God onze Vader
en van Jezus Christus de Heer.
Amen

Bemoediging  Onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.
                          Die trouw blijft tot in eeuwigheid
en die niet laat varen het werk dat Zijn hand begon                        (gemeente gaat zitten)

Gebed van toenadering

Lied 122: 1

Kyrie    : Lied 274: 1 en 2
Gloria  : Lied 274: 3

Gebed van de zondag

Toelichting  op thema en Bijbellezing:

Voor deze dienst volg ik het leesrooster van de Raad van Kerken waarin het thema brood op verschillende manieren wordt belicht. Brood in overvloed, denk aan de wonderbare spijziging, of hongersnood zoals in het verhaal van de weduwe van Sarfat, dat door de lector gelezen wordt en het brood des levens dat we lezen in het evangelie van Johannes.

Lezing  (door de lector): 1 Koningen 17: 8 – 16

Acclamatie

Lied  146: 4 en 5

Evangelielezing: Johannes 6: 22 – 29                        (gemeente staat)

Acclamatie     Lied 339-a

Preek

Gemeente van onze Heer,

U zult het met me eens zijn dat de coronacrisis ook het kerkelijk leven behoorlijk op zijn kop zette, maar wat is het mooi dat we nu weer op deze manier bij elkaar mogen komen, zonder mondkapje, met een groter aantal dan voorheen en vooral dat we weer samen kunnen zingen. Toch las ik deze week ook een opmerking van een voorganger die schreef dat er na de eerste versoepeling  in  de wandelgangen ook wat gemopper te horen viel. ‘Waarom mocht er geen koffie geschonken worden? ‘, was de meest gehoorde klacht. En natuurlijk moest ik aan onze eigen reacties in de Zuiderkerk denken. Het betekent zeker niet dat we de dienst maar op de koop toe nemen. Maar de ontmoeting met elkaar en het delen van je leven, juist in coronatijd, hebben we wel degelijk gemist. En zo willen we ook samen zoeken naar de ontmoeting met God in de verhalen van de Bijbel over geloof, hoop en liefde.

Onze lector heeft zojuist dat schitterende verhaal over Elia en de weduwe van Sarfath gelezen. Elia was wel een van de meest krachtdadige profeten uit het Oude Testament. Hij ergert zich al heel lang aan de goddeloze koning Achab, niet alleen omdat hij met de wrede Izebel trouwde en in Samaria een tempel bouwde voor de regengod Baäl, maar ook omdat hij openlijk de afgodendienst bedrijft en de profeten vervolgt. En dan neemt Elia een doldriest besluit, hij gaat, althans volgens de Talmoed, zonder het aan God te vragen naar de koning en zegt hem recht in het gezicht dat er de komende jaren geen dauw of regen zal komen. Daarna vlucht hij naar de overkant van de Jordaan waar God hem in bescherming neemt bij de beek Kerit en waar de raven hem van brood en vlees voorzien vanwege de hongersnood die het land teistert.

Als dan deze beek uitdroogt en de raven vertrokken zijn, stuurt  God hem naar het buitenland, het huidige Libanon, waar hij in het plaatsje Sarfath  zijn intrek moet nemen. En zo komen we bij dat prachtige verhaal over de weduwe van Sarfath, het meel dat niet opraakt en de oliekruik die niet leeg wordt. Bijzonder aan dit verhaal is dat Elia, die probeert zijn eigen volk tot vertrouwen in God te bewegen, naar een ander land gestuurd wordt waar de regengod Baäl er ook niet in slaagt om de droogte en hongersnood te verdrijven. En Elia moet ook gedacht hebben: Wat moet ik hier in Gods naam doen? Is het niet een vraag die ons ook kan overvallen, zeker in deze alle grenzen overschrijdende Coronatijd? En wat te denken van de ongelofelijke slagregens met overstromingen en anderzijds de grote droogte en bosbranden ? Wie gaat dit oplossen? Waar komt de hulp vandaan? Wie voelt zich verantwoordelijk?

En dan is daar in het verhaal van Elia zomaar iemand die we totaal niet kennen, in een vreemd land, andere huidskleur misschien, een doodarme weduwe met de zorg voor haar eigen kind. Kortom een persoon van wie we in een tijd van hongersnood totaal geen hulp verwachten, maar die zegt: Zowaar de Heer, uw God leeft……En zij gaat aan het werk, want ze vertrouwt op God, ook al staat ze met lege handen en ze laat ons zien wat we in Gods naam kunnen en mogen doen voor elkaar, voor onze naaste veraf en dichtbij.

Als we dan teruggaan naar de evangelielezing, zien we een totaal ander publiek. De mensen die zich aan Jezus opdringen hebben toch al wonderen en tekenen gezien. Zo liep Jezus over het Meer van Tiberias, Hij genas mensen die Hem nodig hadden, Hij gaf hen te eten, denk aan de Spijziging van de 5000.  En nog is het niet genoeg, ze willen nog meer wondertekenen zien. Maar ze missen het vertrouwen dat de weduwe van Sarfath wel kon opbrengen en kunnen niet geloven dat deze gewone man uit Nazareth door God gezonden is. Gelukkig is één van deze mensen toch bij Jezus teruggekomen. Dat was de rabbi Nicodemus, die de woorden van Jezus wel ter harte nam, nl. dat Jezus door God gezonden werd. Stiekem bezoekt hij Jezus in de nacht, want hij kan het, als Schriftgeleerde en lid van het Sanhedrin, zich niet veroorloven om een persoonlijk gesprek aan te gaan met deze omstreden rabbi. De evangelist Johannes, die als discipel tevens vertrouweling van Jezus was, is kennelijk wel op de hoogte van dat gesprek en doet daar in hoofdstuk 3 uitgebreid verslag van. Graag wil ik deze overweging afsluiten met een van de mooiste opmerkingen die Jezus daarin meegaf aan de mens Nicodemus en daarmee ook aan ons allen: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe’.

Zo mogen we ervaren wat het hemelse brood voor ons allen betekent.

In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Amen

Lied  344: 1,2 en 3

Gebeden, afgesloten met oecumenisch Onze Vader

Toelichting op de collecte (door diaken)

Slotlied: Lied 841: 1 en 2      

Zegen