Zondag 8 december * tweede zondag van de Advent

Jesaja 11:1-10 en Lucas 3 : 1-12

door mevr. C.M.A. Frederiks te Enkhuizen

Orgelspel

Welkom en afkondigingen

Psalm 72: 1,2 en 3: Geef Heer de koning uwe rechten.(gemeente staat)

Groet:  Genade zij u en vrede van God onze Vader
en van Jezus Christus de Heer.
Amen

Bemoediging: Onze hulp is in de naam van de Heer
die hemel en aarde gemaakt heeft.

Gebed van toenadering
Aansteken kaarsen

Lied 463 : 1 en 3: Licht in onze ogen (gemeente zit)
Kyrie gebed
Lied 463: 6,7 en 8: Kyrie eleison

Gebed van de zondag ……door Jezus Christus onze Heer
Amen

Lied 317: 1 en 2: Grote God Gij hebt het zwijgen

Lezing Jesaja 11: 1-10

Acclamatie: Zalig zij die het Woord van God horen
en het bewaren.
Hosanna

Lied 437: Kom tot ons scheur de hemelen Heer

Evangelielezing Matteus 3:1-12

Acclamatie Lied 339-a U komt de lof toe

Lied 456a: 1-4: Kwam van godswege

Preek

Lieve gemeente,
Het is opvallend hoe de steeds korter wordende dagen die ons extra naar licht doen verlangen, juist in de tijd vallen dat wij ook verlangen naar de geboorte van Christus. Zelf behoor ik tot de mensen die slecht bestand zijn tegen steeds donkerder dagen en er is dagelijks een sterke lamp nodig om mij voor moedeloosheid te beschermen. Het verlangen naar licht en Kerst wordt er alleen maar groter door.
In deze donkere tijden warmen we ons graag aan goede vooruitzichten. Daarin voorzien de lezingen van vandaag ruimschoots. Jesaja geeft een schildering van wat je toch wel als het koninkrijk van God op mag vatten en Matteüs beschrijft hoe de voorzegging van Jesaja (in het laatste deel van het boek) gerealiseerd wordt.
Laten we nog eens zien hoe dat koninkrijk in Jesaja beschreven wordt: de dieren zullen elkaar niet meer schaden en ook voor de mens leveren ze geen gevaar meer op. Een kleine jongen zal kalf en leeuw samen hoeden en een zuigeling zal spelen bij het hol van een slang. Het is zo beeldend beschreven dat je het als schilderij voor je ziet en ik daarbij, als was het een cartoon bedenk hoe zo’n kleintje triomfantelijk ‘moeder kijk’ roept terwijl hij de slang omhoog tilt en hoe moeder daar zeer hevig van schrikt wanneer zij de nieuwe tijd nog niet ervaren heeft.
Maar, het beeld zoals Jesaja dat beschreven heeft is niet meer van deze tijd.

Het is geschreven in een tijd dat dieren bedreigend waren voor mensen. Volwassen mensen komen in het gelezen stuk niet voor, maar zij leven kennelijk in een wereld waarin zij voortdurend door boze dieren bedreigd werden Nu is die relatie omgekeerd. De grootste vijand van dieren dat is toch echt wel de mens. In een eigentijdse schildering van het koninkrijk zou je dan eerder verwachten dat die bedreigende mens ophoudt met dieren te bedreigen. Dat geldt niet alleen voor dieren die met uitsterven bedreigd worden door jacht of houtkap, zoals dat in verre landen plaatsvindt. We kijken graag naar verre landen als waar iets mis is. Maar het geldt evenzeer voor wat in eigen land gebeurt: grote aantallen dieren worden in slechte omstandigheden gehouden. Deze grootschaligheid maakt het mogelijk dat grote aantallen varkens levend verbranden en nog veel meer kippen. Dat is niet de schuld van de boeren: concurrentie dwingt de boer tot een bedrijfsvoering die dieronvriendelijk is. De mens die graag goedkoop vlees wil eten, noopt tot deze praktijken. De grote supermarkten kunnen lage prijzen bedingen. De tijd dat een boer een inkomen kon verwerven met enkele tientallen dieren is voorbij..
Dat koninkrijk, dat in deze profetie duidelijk op aarde gesitueerd is, zou bevorderd worden wanneer mensen zich daarvoor openstellen. Ons rentmeesterschap is in gebreke gebleven, wij zijn dieren als productie eenheden gaan zien, waarbij termen als efficiëntie en winstmaximalisatie gebruikt kunnen worden. Tot zo ver de dieren.
En de grootste vijand van de mens? Ja, dat is inmiddels ook alweer de mens. Bij de mogelijkheden van geavanceerde vernietigingswapens vallen de aanvallen van leeuwen en beren in het niet. Vanuit de hele wereld komen onheilsberichten over droogte of juist overstroming waardoor grote voedseltekorten ontstaan en deze klimaat verandering is zeker voor een deel te wijten aan te kortschietend rentmeesterschap. Kijken graag naar verre landen waar iets mis is. Maar, in ons eigen welvarende land zijn voedselbanken nodig om de minst bedeelde aan hun dagelijks eten te kunnen helpen. Daarbij komt nog dat met de groeiende economie, het gaat steeds beter met ons land, het aantal daklozen toeneemt. Dat lijkt toch niet te verdedigen.
Dat koninkrijk van U wordt dat nog wat, dichtte Reve niet ten onrechte. En Jules de Corte, de blinde zanger en dichter zong: dat God zag dat het goed was dat moet lang geleden zijn.
En toch staat het er: een wereld waarin geweld uitgebannen lijkt en we mogen ons warmen aan dat beeld. Pas veel later in het boek van Jesaja wordt de komst van Johannes voorzegd: Baan voor de Heer een weg door de woestijn, effen in de wildernis een pad voor onze God, zoals in Matteüs beschreven.

Ook Matteüs schildert een beeld van een op handen zijnde komst van de Heer. Hij vertelt ons over Johannes de Doper. Deze leeft in de woestijn van Judea een zeer basaal leven, eenvoudig gekleed en op een minimaal dieet. Hij at sprinkhanen en wilde honing. Als kind giechelde je daarom, want je zou ook liever honing dan sprinkhanen willen. Nu wordt het mogelijk weer actueel: regelmatig worden insecten als veelbelovende weinig vervuilende eiwitbronnen genoemd.
En dan gaat het verhaal hoe een grote menigte op deze toch wat wonderlijke man af komt en zich laat dopen. Dat dopen was dus ook in het jodendom van die tijd al bekend. Het betreft duidelijk volwassendoop en echt vrijblijvend is die doop niet. Ze lieten zich dopen terwijl ze hun zonden beleden staat er. En Johannes doopt ook niet zomaar ieder die zich aanmeldt. Wanneer ook Farizeeën en Sadduceeën op hem afkomen om gedoopt te worden ontsteekt hij in drift. Deze mensen leefden een orthodox vroom leven waarmee zij de toegang naar de hemel hoopten te bereiken en och zo’n doop voegde wellicht nog wat bonuspunten toe aan het door vroomheid verdiende krediet. Johannes kent dat en scheldt dan ook‘Addergebroed
wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel?, Breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn’. Die goede vruchten worden hier niet verder uitgewerkt, maar Johannes zal hier op daden duiden i.p.v vroomheid alleen. Er komt nog een ander verwijt achteraan. Kennelijk laten de Farizeeën en Sadduceeën zich voorstaan op hun afkomst van Abraham. Het joods zijn op zich zou al een verdienste zijn. Ook dit wordt door Johannes ontkracht: ook uit stenen zou God kinderen van Abraham kunnen verwekken. Ook niet-joden worden opengesteld voor de doop, als zij zonden beleden.
Dat brengt ons op een ingewikkeld punt in het christelijk geloof: als wij oprecht zonde belijden worden die zonden vergeven wordt ons voorzegd. Het brengt ongelovigen waarvoor het christendom afgedaan heeft soms tot de uitspraak: lekker makkelijk, wat je ook misdoet het wordt toch wel vergeven, je kunt dus doen wat je wilt. En als wij zo over schuld en vergeving denken hebben die ongelovigen er nog gelijk in ook. Zelf heb ik lering getrokken uit de manier van vergeven zoals die in het jodendom op grote verzoendag geschonken wordt. De rituele zonden, zoals niet kosher eten of de sabbat schenden worden op die dag zonder meer vergeven, maar bij ethische zonden zoals het benadelen of bedriegen van medemensen ligt het anders: die worden pas vergeven nadat zij goedgemaakt zijn.

Ook het omgekeerde is het niet.: door alsmaar goede werken te doen hopen hiermee een plaats in het koninkrijk te verdienen.
IJdelheid is dat: zonder Gods’ genade redden we het niet.
En die genade daar mogen we op hopen; we kunnen daarmee in deze adventstijd toch vol verwachting uitkijken naar een betere wereld.
Kalf en leeuw zullen samen weiden en een kleine jongen zal ze hoeden.
Zo moge het zijn

Lied 433:1,3 en 5: Kom tot ons, de wereld wacht

Gebeden afgesloten met oecumenisch Onze Vader

Inzameling van de gaven

Slotlied 442: Op U mijn Heiland blijf ik hopen

Bede om zegen