Zondag 8 november * ds. Henk Haandrikman

Lied 296 bij aansteken kaarsen

Groet en Bemoediging

Gebed                   

Psalm 98: 1

Inleiding bij Matteüs 25:1- 13

Het is al een heel lange traditie in de kerk om in deze tijd van het jaar als de dagen korter worden en het donker de overhand lijkt te krijgen, te lezen uit Jezus’ ”rede over de laatste dingen”. Matteüs 24 en 25. Hoe houd je je staande als het er op aan komt? Hoe vind je de juiste koers? Waar loop je achteraan? We denken dan nu aan alles wat er op ons afkomt. Corona natuurlijk maar ook de onrust in de wereld. Verscherpte tegenstellingen, populisme, complottheorieën.  Het aanwijzen van zondebokken. Wie daar telkens weer  onder te lijden hebben, zijn Joden. Vandaag wordt tijdens de herdenking van de Kristallnacht in 1938 door de PKN een verklaring voorgelezen met daarin een erkenning aan de Joodse gemeenschap van tekortschieten voor en tijdens de tweede wereldoorlog..

De verklaring roept discussie op binnen de kerk omdat juist vanuit de kerk zich ook velen hebben ingespannen voor de Joodse gemeenschap.

Het is naast de erkenning van falen ook een  roep om bewustwording dat nog steeds antisemitisme in de samenleving de kop op steekt. Het is dan goed om waakzaam te zijn en je uit te spreken tegen elke vorm van antisemitisme juist als de samenleving onder druk komt te staan.

Hoe vind je dan de juiste koers? Jezus – gelovige Jood leefde het voor en gaf ons handvatten o.a. in de drie gelijkenissen uit Matteüs 25.

Die van de vijf wijze en vijf dwaze meisjes, die van de talenten, die van de werken van gerechtigheid.

Vandaag lezen we de eerste waarin het er om gaat hoe je de hoop levend houdt.  Daar staat de olie in de lampen voor.

Kyriegebed

Gloria           Psalm 98: 2

Lezing         Matteüs 25:1-13

Acclamatie lied 339a

Preek

“Tot elke prijs moeten we in onszelf het verlangen naar de hoop op Gods toekomst brandend houden en vernieuwen en met alle mensen die zoeken het geheim van deze wereld te doorgronden en overal het goddelijk geheim te ontdekken.”

Een uitspraak van de geoloog Teilhard de Chardin. Ik moest er aan denken bij het verhaal van de vijf dwaze en vijf wijze meisjes.

U weet misschien dat ik voor ik theologie ging studeren eerst Fysische Geografie heb gestudeerd. Dat gaat over hoe het aardoppervlak is gevormd. Door gletsjers, door wind en door water en door gebergtevormen. Het lijkt een beetje op geologie maar waar die de diepere aardlagen bestudeert, richt Fysische Geografie zich op het aardoppervlak.

In die studie leerde ik de naam van Teilhard de Chardin kennen. Hij leefde van 1881 tot 1955 en was één van de grote mensen in die tijd in de geologie maar hij was ook theoloog. Geoloog en theoloog. Omdat ik zelf ook toen al veel met theologie bezig was, boeiden deze bijzondere combinatie en deze bijzondere man mij.

Een geoloog weet dat de aarde miljarden jaren oud is en langzaam gevormd tot wat die nu is. Teilhard had daarom geen moeite met de evolutietheorie maar hij verbond die op een intrigerende manier met theologie. Dat was een gedurfde weg in de theologie en de kerk en hij heeft veel over zich heen gekregen.

Hij zag de aarde, het aardse, de materie niet alleen als iets om wetenschappelijk te beschrijven maar als doordrongen van Gods geest en van Gods liefde. De evolutie, zo zegt hij, loopt uit op ‘amorisatie’. Een wat vreemde term van hem. U herkent het woord ‘amor’ daarin. Hij wil daarmee zeggen dat de wereld steeds meer wordt vervuld door de liefde van Jezus Christus. Met de evolutie mee voltrekt zich het proces hoe Gods liefde alles doortrekt totdat God alles in allen is. Zelfs alles in alles. Daar gaat het naar toe. Hij noemt dat het punt omega. Het voert te ver om hier stil te staan bij hoe hij dat uitwerkt in zijn theologie. U denkt misschien wat naïef. Daar zou je dan toch wat van moeten het lijkt juist dat de tijd juist omgekeerd liefdelozer wordt. Voordat u zegt dat deze Teilhard zijn hoofd in de wolken had… Hij heeft twee wereldoorlogen meegemaakt en was niet blind voor wat mensen elkaar en de aarde aandoen. Integendeel. Hij heeft die gruwelen gezien toen hij in de eerste wereldoorlog aan het front werkte als brancarddrager. Maar bij dit alles leefde hij uit het verlangen naar het steeds meer zichtbaar worden van Gods aanwezigheid.

Juist dan komt het er op aan om die vlam aan te steken. “Tot elke prijs moeten we in onszelf het verlangen naar de hoop op Gods toekomst brandend houden en vernieuwen en met alle mensen die zoeken het geheim van deze wereld te doorgronden en overal het goddelijk geheim te ontdekken”.

Dat vraagt vertrouwen, dat vraagt hoop, dat vraagt geduld en het betekent dus ook wachten zoals die tien meisjes maar wachtten en wachtten.

En dat is een lastige. We ervaren dat des te meer in deze tijd. Wachten. Er is, denk ik, niemand die graag wacht. Zeker niet als iets of iemand láng op zich laat wachten. Nu heb je wachten en wachten. Er is een passief wachten en een actief wachten.

Passief wachten is het wachten van: Of het nog komt? Misschien niet, maar ach, het zal mijn tijd wel duren. We herkennen hierin de vijf dwaze meisjes.  Actief wachten is verwachtingsvol op de uitkijk staan: het duurt lang deze tijd maar het wordt anders, lastig, maar heb nog even geduld. We herkennen hierin de vijf wijze meisjes.

We lijken dat te verleren. Onlangs zag ik in de supermarkt iemand, geen kind, een volwassene, die in de rij voor de kassa een chocoladereep al begon op te eten achter zijn mondkapje en met een lege wikkel ging afrekenen.

Wie niet kan wachten, zal nooit een sterk ik ontwikkelen. Die zal direct elke behoefte willen bevredigen. Maar wordt dan ook volledig afhankelijk van iedere behoefte. Dat is een verwoestende levenshouding. Wachten kan ons innerlijk vrij maken.

Een mens moet in het leven op talloos veel zaken wachten. En wie gelooft moet ook nog wel eens wachten op God! Psalm 27 noemt dat letterlijk zo. In die psalm gaat het over actief wachten. Wachten op God is de horizon  afspeuren of er al iets komt.

Een rabbijns gezegde luidt: Iedere dag en ieder uur kan de deur zijn waardoor de Messias binnenkomt.

De gelijkenis van de tien meisjes laat die twee manieren van ‘wachten’zien.

Wij kunnen de komst van het koninkrijk niet afdwingen. Wat wel kan, vertelt de gelijkenis, is de vlam van de hoop brandend houden om de bruidegom welkom te heten.

Het vraagt wat van ons om die vlam brandend te houden. Dat is altijd zo. Maar we voelen het nu des te meer in deze tijd. We worden op onze geestelijke reserves aangesproken.

Hoe lang duurt het nog?. Dan hebben we het over meer dan het einde van de Corona.

Dan gaat het ook over maatschappelijke ontwrichting en in je persoonlijke leven over ziekte en verlies, afwijzing. Wat is het dan belangrijk om een reserve voorraadje  geloof, hoop en liefde te hebben waarmee je toch, al is het maar op spaarstand, een licht kunnen aansteken.

Hebben we daar genoeg van?

‘Geef ons wat van jullie olie,’ vroegen de dwaze meisjes. ‘Nee, straks is er nog te weinig voor ons en jullie samen. Zoek liever een verkoper en koop zelf olie,’ antwoordden de wijze meisjes. Het lijkt zo hard, wat ze zeggen. Maar als je er over nadenkt en die olie staat voor geloof en hoop, dan weet je eigenlijk wel dat je die niet zomaar van een ander kunt krijgen. ‘Geef mij een onsje van jouw geloof, van jouw hoop’. Zo werkt het niet.

Zo’n geestelijke reserve heb je niet zomaar. Zo’n geestelijke reserve hangt samen met een levenshouding, met onze geestelijke conditie. En net als in de sport moet je ook je geestelijke conditie trainen en onderhouden en oefenen. Een geestelijke levenshouding moet wortel te schieten, groeien, stevig worden, zodat je er beschutting en houvast kunt vinden, als het erop aankomt.

En vroeg of laat komt het erop aan.

Het komt er op aan om in onszelf het verlangen naar de hoop op Gods toekomst brandend houden.

 

Lied 751: 1,2,4

Gebeden

Collectepraatje

Slotlied 978: 1 en 3

Zegen