Zondag 8 september

1 Samuel 16: 1-13 en Lucas 14: 16-24

door ds. H.G. Haandrikman

Lied 280: 1,2 en 3
psalm 86: 1 en 4
Lied 279

In de komende weken lezen we verhalen over David. Of liever over Saul en David.
Saul zit nog op de troon terwijl David al door Samuël is gezalfd tot opvolger.

Het is ongeveer 1000 voor Christus. Tot dan zijn het steeds Richters geweest die leiding gaven aan het volk Israël. Maar alleen als het nodig was , als er iemand nodig was die kon optreden. Bij aanvallen door andere volken, bij onderdrukking. Als die taak volbracht was, hield het ook weer op en ging de Richter weer zijn gewone werk doen.
Maar de roep om een permanente koning werd steeds sterker. Of je dan pas echt meetelde… of is het de roep om de sterke man. Van meet af aan vinden we bij de profeten, en Samuël is de eerste die zo genoemd wordt, grote huiver. Hoe zal zo’n koning zijn? Zal hij een projectie zijn van onze machtsfantasieën en daarmee uit op eigen macht en eigenbelang? Of zal het een koning zijn naar Gods hart. De eigenlijke koning is toch God zelf. De beschermer van wie wankelt en weerloos is?
De moeder van Samuël zingt in haar loflied over zo’n koning zoals veel later Maria dat ook doet in Magnificat. De messiaanse koning.

Golden statue of King David with his famous harp

De verhalen die we gaan horen stammen terug tot de tijd waarin ze spelen. De tijd van David maar ze zijn ruim 400 jaar later opgeschreven. In die 400 jaar heeft men ruimschoots kennis gemaakt met hoe koningen ten prooi vallen aan machtswellust en het belang van de mensen uit het oog verliezen. Ach het is de geschiedenis van altijd. We kunnen zo een heel aantal namen van nu invullen.
De verhalen die we gaan horen gaan over twee koningen. Allebei geen lieverdjes. Allebei met bloed aan hun handen. Wat maakt dan dat David verkozen wordt boven Saul.
We beginnen als Saul uit de gratie is gevallen om allerlei beslissingen en acties die niet passen bij een koning die de afspiegeling hoort te zijn van het koningschap van God zelf.
Er wordt een nieuwe gezocht en gevonden maar waarom geldt die wel als messiaans?

lezing 1 Samuel 16: 1-13

Psalm 72: 1 en 2

lezing Lucas 14: 16-24
339a

Lied 816

Een koning die goed doet in Gods ogen. Het refrein dat bij de meeste koningen in de Bijbel staat is: hij deed wat slecht is in de ogen van de Heer.
Koningen zijn niet meer zo dik gezaaid in onze wereld. Moeten we het hier hebben over de regeringsleiders? Het is natuurlijk een lastige om hen langs onze godsdienstige meetlat te leggen. We hebben – gelukkig – een scheiding tussen kerk en staat. Als godsdienst en macht verweven raken…
Maar kunnen we dan niets zeggen? Mogen we geen kritiek hebben? Zeker wel en dat gebeurt gelukkig ook waar met de woorden van het lied ‘Geef vrede, Heer, geef vrede’ “het onrecht heerst op aarde, de leugen triomfeert, al wordt het recht beleden, de sterkste wint het pleit”. En ook is veel van het profetische gedachtegoed in ons rechtssysteem en in onze staatsvorm terecht gekomen.
We mogen de vraag blijven stellen wat is een goede koning vanuit ons gelovige perspectief en ons visioen van een rijk dat niet – om weer met de woorden van een lied – niet rust op ’t scherp van zwaarden.

En we mogen de vraag naar wie het koningschap goed invult ook dichterbij halen.
Nee, koningen zijn niet meer zo dikgezaaid in onze wereld maar er zijn des te meer koningen op hun eigen vierkante meter, in het bedrijf, in de klas, in het gezin, in de vriendenkring, in de voetbalvereniging, in de kerk, in de actiegroep. Vele kleine koninkrijkjes. En de verhalen over Saul en David stellen ook ons de vraag naar het goede koningschap.

Voor we het over David gaan hebben moeten het eerst over Saul gaan.

We vinden in de Bijbel een aantal zeer tragische figuren. Eén daarvan is natuurlijk Judas die zich na de kruisdood van Jezus vertwijfeld afvraagt of hij gebruikt is door God of door het lot om de geschiedenis zo’n draai te geven dat Jezus zijn einde vindt zoals hij dat had voorzegd.
Maar ook koning Saul is een tragische figuur. We horen hoe David tot koning wordt gezalfd terwijl Saul nog op de troon zit.
Aanvankelijk gaat het zo goed met hem. Hij is werkelijk een koning die iets afspiegelt van het koningschap van God. Een sympathieke jongen die zich eerst zo bescheiden op de achtergrond houdt en letterlijk vanachter de koeien vandaan moet komen. Niet in een stal geboren maar wel uit een stal komend, bij os en ezel vandaan. Zo gaat het bij David ook: achter de schapen vandaan wordt de koning geroepen. De koning die iets van de Messias heeft moet a.h.w. eerst oefenen met weerloze dieren voordat hij aan het hoofd van mensen de goede strijd mag voeren t.b.v. weerloze mensen. Hoe actueel in een wereld vol plofkippen en knalganzen en meer gesjoemel met weerloze wezens. Alles van waarde is weerloos, dichtte Lucebert. Met andere woorden: we komen op het spoor van wat van waarde is door ons te bekommeren om wat kwetsbaar is.
Aan het hoofd van mensen staan betekent weten wat weerloosheid is, alleen zo kun je dienen.

Maar hoe verhoudt dat zich tot de opdracht die Saul krijgt om alle Amalekieten te doden? Hij mag er geen sparen. Daarover straks.

Saul is aangeraakt door Gods Geest. Er staat dat hij een innerlijke verandering heeft doorgemaakt, hij heeft beter leren onderscheiden wat er werkelijk toe doet en hij is vol heilig vuur. Hij strijdt de goede strijd. In zijn ijver en overgave lijkt hij wel op die andere Saul in de Bijbel, Saulus die als de Geest hem overkomt Paulus gaat heten: kleintje.
Zo beschouwt koning Saul zich ook aanvankelijk: als iemand die dient, die zijn gaven in dienst stelt, hij weet zich klein onder God maar ook onder de mensen, zo groot als hij letterlijk is – hij steekt met kop en schouders boven iedereen uit, lezen we – zo verlegen is hij ook. Als hij wordt aangewezen als de koning, kan niemand hem vinden. Hij heeft zich verstopt tussen de bagage. Of zoals het in de Statenvertaling staat: Hij is bij de pakken neer gaan zitten. Komt daar al iets naar voren van wat we nu depressiviteit noemen? Hij doet het goed maar het blijft niet zo. We weten hoe het met hem gaat: hij staat bekend als de slechte koning en David als de goede.
Wat gaat er nu eigenlijk mis met Saul? Eerst is het allemaal zo veelbelovend: Saul levend vanuit Gods Geest. Die Geest kan kennelijk wijken. Dat is een bittere ervaring die u zelf misschien ook wel kent. Soms kun je zo heerlijk open leven, dan voel je zoveel ruimte in je zelf dat je Gods geest daar ook de ruimte kunt geven en werkelijk iets voor anderen beteken zonder dat het ten koste gaat van jezelf, het gaat als vanzelf. En dat dan opeens of langzamerhand allerlei dingen je toch weer zwaarder gaan vallen en dat je gemakkelijker onderuit wordt gehaald door tegenslagen. De Geest kan kennelijk wijken. Saul verliest zijn grip en neemt steeds vaker verkeerde beslissingen. Zo spaart hij het leven van de koning van Amalek: Agag. Dat kost Saul zijn koningschap. Als je het verhaal leest komt dat vreemd over. In het begin van zijn optreden wordt Saul er juist om geprezen dat hij in de strijd tegen een ander volk, de Amorieten, barmhartig is en zijn vijanden spaart. Het lijkt allemaal nogal willekeurig.
De Bijbel bevat veel verhalen waarin mensen en groepen geweld tegen elkaar gebruiken. Soms wordt dat geweld afgekeurd, soms wordt het als een goddelijke opdracht gezien. Bij verhalen waarin geweld wordt afgekeurd voelen we ons thuis: geweld hoort en mag niet. Verhalen waarin God opdracht geeft om geweld te gebruiken of waarin Bijbelschrijvers lovend schrijven over gewelddadig optreden van personen of groepen, daar hebben we grote moeite mee.
Ik lees zulke verhalen niet letterlijk. Ik zoek achter namen en begrippen de symboliek. Er staat in een tekst vaak meer dan we op het eerste gezicht horen. Zo is Amalek het volk dat telkens weer probeert Gods visioen te dwarsbomen. Geen duidelijke vijand die plotseling voor je staat, maar een die geniepig in de achterhoede aanvalt, waar de zwaksten, de ouderen en de kinderen zich bevinden, oftewel daar waar de wijsheid en de hoop op de toekomst zijn. Het staat voor een geesteshouding van totale berekening en eigenbelang. In elke tijd heeft die weer andere namen: slavernij, racisme, graai en grijp, koele berekening. Amalek mogen we verstaan als een mentaliteit in plaats van een volk of land. Een mentaliteit van hebben en grijpen. Een mentaliteit die wij herkennen bij onszelf. En als de koning van Amalek ook nog eens “Hij die van geweld houdt heet – dat betekent de naam Agag. Nou dan weet je het wel. En uitgerekend die koning wordt door Saul gespaard. Die mentaliteit zal altijd wel weer opduiken, dat is de mens in al zijn angsten en kortzichtigheden, maar wat je niet wilt is dat een Agag die onvrede mobiliseert.
Als koning is Saul geroepen daar tegen op te treden en daar korte metten mee te maken.

Er zijn boeken vol geschreven over de vraag waarom Saul, eerst uitverkoren, later verworpen wordt, terwijl David die ook beslist geen heilig boontje is, ja die er in onze ogen nog duidelijker naast grijpt, dat David wel de verkorene blijft.
Ik merk regelmatig dat het als troost wordt ervaren dat David een mens was die fouten maakte. Ik denk dat we eerder een duidelijke overtreding van David kunnen noemen dan van Saul. Hoe zit dat dan? Ik denk dat het er mee te maken heeft dat het heel diep in ons zit om moralistisch te denken. We hebben ergens in ons opgeslagen een enorme catalogus van fatsoensnormen: dit is goed en dat is fout; zo hoort het en zo hoort het niet. En op grond daarvan beoordelen we onszelf en anderen. En dat is over het algemeen nogal hard en zwart-wit. En we zijn in het algemeen meer bezig om niet buiten die fatsoensboot te vallen dan dat we proberen op onze plek met onze gaven inspirerend te zijn en daarbij desnoods het risico te lopen eens niet in het fatsoensstraatje te passen en desnoods eens flink op onze moralistische smoel te vallen. God beoordeelt niet moralistisch. Het zit diep in ons om God wel zo te zien, we hebben ook een hele geschiedenis achter ons waarin God gemaakt is tot de grote fatsoensrakker in de hemel. Niet dat het God niets zou kunnen schelen hoe we leven. Dat wordt wel duidelijk als David zich vergrijpt aan de vrouw van een ander.
Maar het gaat God niet in de eerste plaats erom of mensen zich aan hun regeltjes houden, maar of ze iets van de hoop en het geloof en de liefde die God in ze heeft gelegd uitstralen, of ze op hun plek met hun gaven inspirerend zijn.

Dat is het wat Saul verliest, hij had het beslist, maar hij gaat steeds angstvalliger leven en valt daarbij steeds meer terug op allerlei regeltjes en angstige gedachten zoals: ‘als ik koning Agag zijn leven spaar, kan ik misschien nog ooit wel eens bij hem aankloppen.. Daarmee gooit Saul het op een akkoordje. Als je dat gaat doen dan kapsel je jezelf steeds meer in en wordt de buitenwereld steeds bozer, dan ga je je steeds meer slachtoffer voelen van de omstandigheden, dan wordt je als mens verbitterd en zie je alleen nog maar wat er verkeerd is en voel je het alsof het allemaal tegen jou persoonlijk is gericht. Het is duivels en moeilijk om weerstand tegen te bieden. Het zijn de verzoekingen waar Jezus zelf tegen aanloopt. Hij blijft staande. Wij noemen ons naar Hem, noemen ons zelfs lichaam van Christus. Alleen redden wij het niet maar met elkaar willen wij die confrontatie aan met de verzoekingen. Saul isoleerde zich, meende het alleen te moeten kunnen.

Saul en David:. De eerste staat meer en meer voor een angstvallig levend mens, de tweede voor iemand die met z’n fouten wel blijft geloven in Gods goedheid en Gods zorg en kan blijven leven vanuit vertrouwen. Saul verliest dat vertrouwen. Dat is heel verdrietig. Iedereen die wel eens heeft moeten inleveren op dat gebied weet dat. Maar Saul blijft krampachtig op zijn plek en raakt daardoor steeds verder weg van het koningschap zoals God dat bedoelt. Dan wordt David gezalfd terwijl Saul nog koning is. Saul kan niet langer koning zijn. Hij wordt dus als koning afgezet, niet als mens!
Soms heb je in je omgeving het voortouw als het gaat om hoopvol leven, om vertrouwend leven om inspirerend te leven, in de ruimte gezet door de heilige Geest. Maar ook is het mogelijk dat je het niet hebt, dat de Geest niet tot je door dringt. Dan kun je krampachtig proberen stand te houden maar dan worden de woorden te groot en gaan leeg klinken. Dan is het de kunst om te zeggen: ‘ik heb het even niet’, dan is het de kunst om daar verdrietig over te zijn en niet krampachtig te worden. Dan is het de kunst om je te realiseren dat er zo iets is als een gemeente waarin altijd wel iemand is die dan dat voortouw van jou kan overnemen en jij je een tijdje lang kunt laten trekken. We hebben het niet altijd om hoopvol en in vertrouwen te leven. Saul probeerde het alleen en hij werd steeds vertwijfelder. Hij weet dat David het op dat moment wel heeft, David kan hem met zijn harpspel zelfs troosten in zijn diepste depressies. Maar Saul kan het niet loslaten. hij denkt dat hij het alleen moet kunnen Wat een zegen is het dan dat er een gemeente is om woorden in de mond te nemen die wij op dat moment niet over de lippen kunnen.
In de woorden van het lied:

Al is mijn stem gebroken, mijn adem zonder kracht,
het lied op and’re lippen draagt mij dan door de nacht.
Door ademnood bevangen of in verdriet verstild:
het lied van uw verlangen heeft mij aan ‘t licht getild!

Lied 23c

Lied 867