zondag 9 juni 2019 * Pinksteren

  • Pinksterfeest 2019

    • voorganger ds. H. G. Haandrikman

    • mmv de Cantorij olv Jerry Korsmit en Jan Spijker, orgel

    • de doop wordt bediend aan Na’el Zwaan

Woord van welkom

[de gemeente gaat staan]

Aanvangslied 670: 1-Cantorij, 2-allen, 3-Cantorij, 4-allen, 7-allen

Groet

v. Genade en vrede van God onze Vader
en van Jezus Christus de Heer, door de heilige Geest

a. Amen

Bemoediging:

v. Onze hulp in de Naam van de Heer

a. die hemel en aarde gemaakt heeft

Drempelgebed

[De gemeente gaat zitten]

Zingen Psalm 68: 2 en 7

Gedicht Vuur en wind – Inge Lievaart

Kyrie en Gloria 299e

Gebed van de zondag

Lezing Handelingen 2: 1-13

Zingen 150B

[De gemeente gaat staan]

Lezing Johannes 20:19-23

Acclamatie

[De gemeente gaat zitten]

Preek

Gister bij het schrijven van de preek zei ik bij de koffie en de krant tegen Ariette: ik heb de geest niet zo. Haar antwoord was dan haal je geest van boven toch uit de krant en mijn oog viel op een paar regels uit het interview met Willen Jan Otten in die krant: Dat is het onbegrijpelijke en verrukkelijke van Pinksteren: het doet er niet toe waar je vandaan komt, je kunt toch de Geest krijgen. Er is geen intake gesprek of examen voor nodig, en je mag je paspoort thuis laten.

Wat is de heilige Geest? Als Jezus in het evangelie van Johannes aan zijn discipelen uitlegt dat Hij niet kan blijven dan vertelt Hij hoe Juist door zijn weg gaan er ruimte komt om op eigen voeten te staan. De leegte zich dan kan vullen door hetgeen waar Jezus zelf door gedreven werd: de inspiratie, letterlijk is dat de inblazing, de inspiratie waardoor Hij kon doen wat Hij deed, waardoor Hij kon zeggen wat Hij zei. Als Hij zou blijven zouden de discipelen, zouden wij er niet op leren vertrouwen die inspiratie ook ons doen en spreken bij de hand zou kunnen nemen. Ik las een verhaaltje van een Franse denker. Hij schrijft:

‘Ik had het voorrecht God te ontmoeten juist op een moment dat ik aan hem twijfelde!. In een klein dorpje, door mensen verlaten, was er niemand meer. Toen ik voorbij de oude kerk liep, aangespoord door ik weet niet welke aandrang, ging ik naar binnen… En daar, verblind… door een intens licht… ondraaglijk! Het was God… God in eigen persoon. God die aan het bidden was! Ik vroeg me af: “Tot wie bidt hij? Hij bidt toch niet tot zichzelf?”
Nee! Hij bad tot de mens. Hij bad tot mij. Hij twijfelde aan mij, zoals ik aan hem had getwijfeld.
Hij zei: “O mens! Als je bestaat, geef mij een teken!” Ik zei: “Mijn God, hier ben ik.”
Hij zei: “ Een wonder, een menselijke verschijning.”
Ik zei toen: “Maar mijn God… hoe kunt u twijfelen aan het bestaan van de mens, uiteindelijk hebt u hem geschapen?” Hij zei me: “Ja, maar dat is al zo lang dat ik er geen meer in mijn kerk heb gezien…dat ik me afvroeg of het geen zinsbegoocheling was!” Ik zei toen: “Bent u nu gerustgesteld?”
“Ja”, zei hij. ” Ik zal hen hierboven kunnen zeggen: de mens bestaat, ik heb hem ontmoet”.

De verantwoordelijkheid wordt aan ons toevertrouwd en wij blijven maar omhoog kijken en God zoeken terwijl er naar ons gezocht wordt.
Alsof de discipelen daar niets van begrepen hebben zitten ze bij elkaar in een gesloten huis, in zichzelf gesloten. Jezus is weg en wat is er van hem gebleven? Kunnen wij het zonder hem?

Weer uit het interview: Wat me enorm raakt is dat Jezus bij zijn hemelvaart niets nalaat, geen regeltjes, geen wetten, zelfs geen opvolger. Alleen zijn liefde, het enige wat hij te bieden heeft, en precies dat dringt niet tot de mensen door. Er ontstaat na zijn hemelvaart een gapend gemis en uit dat zwarte gat verschijnt een gemeenschap. Die geestelijke kracht wordt concreet. En dat kan elk moment weer gebeuren. En juist in zo’n potdichte situatie gebeurt iets waardoor er toch weer licht naar binnen kan vallen. De heilige Geest heeft maar een kiertje nodig.

Is dat alleen iets voor christenen? Nee, er waren toen nog geen christenen op dat eerste Pinksterfeest. Er waren mensen uit alle windstreken die geraakt werden. Paulus zegt dat de geest waait waarheen hij wil en het scheppingsverhaal vertelt dat al vanaf het begin de adem van God erbij is. Altijd. Het is nooit niet Pinksteren in de wereld. Het kan zomaar gebeuren.

Een tijdje geleden zag ik een documentaire waarin het gaat over hoe je geraakt kunt worden zonder dat je daar op uit bent. Dan gaat het over schoonheid, over hoe plotseling iemand boven zichzelf uitgetild kan worden. Of zoals je soms verwonderd kunt zijn over iets wat jij zomaar zei, om met Ollie B. Bommel te spreken: `Ik wist niet dat ik het in me had.
Het is een geraakt worden in een diepte van je bestaan waar jezelf niet eens een vermoeden van had. In de woorden van één van de mensen in de documentaire, door een stuk muziek werd er een honger in mij losgemaakt waarvan ik niet wist dat die er was. Een diep verlangen dat niet te herleiden is tot een logische verklaring. Het verlangen waar Augustinus op uit komt als hij probeert te zoeken waar God te vinden is en waar hij woorden aan geeft in zijn beroemde regels: Laat heb ik U lief gekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik U lief gekregen. Binnen in mij waart Gij en ik was buiten, en daar zocht ik U. Lelijk als ik was, stortte ik mij op de mooie dingen die Gij gemaakt hebt. Gij waart bij mij, maar ik was niet bij U. Die dingen hielden mij ver van U verwijderd. Toch zouden ze niet bestaan, als ze niet in u bestonden. Toen hebt gij geroepen en geschreeuwd en mijn doofheid doorbroken. Geschitterd en gestraald hebt Gij en mijn blindheid verjaagd. Een heerlijke geur hebt Gij verspreid en diep ademde ik die in. En nu snak ik naar U. Ik heb U geproefd en sindsdien honger en dorst ik naar U. Gij hebt mijn hart geraakt en het is ontvlamd in verlangen naar uw vrede. U kunt deze tekst nalezen in het Liedboek op blz. 1439
Binnen in mij waart Gij.
Wat is er een onvoorstelbare schat in ons allemaal gelegd. Wat is ons een potentiële geestkracht tot goedheid ingeblazen. En wat vertrouwen we er weinig op. Als we ons werkelijk te binnen zouden brengen dat Gods Geest in ons woont, zouden we veel vrijer kunnen leven, kunnen spreken en handelen. Zouden we er niet over hoeven inzitten wat je moet zeggen of doen in onvoorziene, moeilijke omstandigheden. Als we daar meer op zouden vertrouwen zouden we weten hoe waar het is wat Jezus zegt: Maak je in moeilijke omstandigheden geen zorgen over wat je zult zeggen en hoe je zult spreken. Want op dat moment zal je ingegeven worden hoe je zult spreken en wat je zult zeggen. Want je bent het niet zelf die spreekt, maar het is de Geest van je Vader die in jullie spreekt’. De meesten van ons zullen wel een dergelijke ervaring hebben dat je denkt: ‘waar haalde ik de woorden vandaan?, waar haalde ik het inzicht vandaan, waar haalde ik de moed vandaan om te doen wat ik deed’.
Wat is er een onvoorstelbare schat in ons gelegd. En bij de geboorte van jullie kind, Robin en Reinanke hebben jullie beseft: wat is er een enorme schat aan ons toevertrouwd. Hebben jullie beseft dat zij in haar kleine kwetsbaarheid al verwijst naar wat ons te boven gaat. Dat er al iets in haar geademd is dat meer is dan de concrete lucht: Levensadem, heilige Geest. Die ademt hoop en verlangen in ons. Dat zijn gekke dingen: hoop en verlangen, dat diepe verlangen van de mensen dat het ooit eens waar wordt dat koninkrijk van God. Dat zijn gekke dingen, waar komen die vandaan, ze zijn zo anders dan de instincten zoals overlevingsdrang, die kun je uit de evolutie verklaren, maar hoop en verlangen lijken ergens anders vandaan te komen, bij God vandaan die ze als levensadem telkens weer opnieuw in ons blaast, met eindeloos geduld telkens weer probeert mensen van ons te maken. We dopen straks met water als teken dat ook als in haar leven soms golven over haar heen spoelen en het soms diep gaat in het leven, zij mag weten dat zij niet wordt losgelaten. Wij dopen met water en we mogen geloven dat zij ook met de Geest gedoopt wordt, toegerust met hoop en verlangen, met liefde en geloof om haar leven te leven onder een open hemel. Zij met haar eigen geven, met haar eigen verhaal.
En wat is het nu belangrijk om ons door die goede Geest te laten leiden. Soms vraag ik mij af: Valt alles uit elkaar, mensen onderling, mens en wereld, mens en politiek, mens en natuur? Is er nog iets wat verbindt? Zoekt iedereen het voor zichzelf uit. Is er nog een taal die ons verbindt of zijn de woorden die wij spreken alleen maar splijtzwammen. Zal het ooit nog wat worden. Is er iets dat ons verbindt, opnieuw samenvoegt? Zo zaten de discipelen bij elkaar. Ze waren het verhaal van hoop en verlangen dat in hen was gelegd kwijt, of smeulde het nog en werd het aangewakkerd tot het weer oplaaide
Aan jullie als ouders en aan ons als gemeente om dat verhaal levend te houden in het vertrouwen dat temidden van alles de goede Geest, de heilige Geest ons blijft influisteren en ons kleine geloof zo kan aanblazen dat het een verschil maakt.
Die God, die Geest wil ons aansporen op onze plek met onze woorden, met onze gaven, ondanks onze handicaps en tekortkomingen, ondanks onze pijn en frustraties, te blijven zoeken bij elkaar en bij onszelf naar tekenen van diezelfde geest. Die stille zachte zekerheid die soms even aangloeit in ons eigen hart. Of, in de woorden van Geert Boogaard: Soms komen stilten over mij, mild en zo bijzonder vriendelijk, vervuld van een zuivere goedheid, waarin vermoed ik een voorsmaak is van eeuwig geluk Een weten van een werkelijkheid die de onze wil doordringen en vervullen, die ons leven zin en richting geeft. Het is de verstaanbaarheid van een Liefde, groter dan ons eigen hart.
Die dringt daar door in dat gesloten huis in Jeruzalem en door zoveel dichte deuren.
Zonder geweld, zoals een stem een kathedraal kan vullen.

DIENST VAN DE DOOP

Zingen lied 344 “Klein credo”
(intussen wordt de dopeling binnengedragen)

vg: Jullie hebben de wens uitgesproken je kind ten doop te houden.
ouderling: Welke namen heb je je kind gegeven, waarmee zij
zich gekend mag weten bij God en bij de mensen?

doopouders en de kinderen van de gemeente komen
naar voren intussen wordt water in de doopvont gegoten

Cantorij “Door het water mag je gaan”

Doopgebed

vg: In het midden van de gemeente vragen wij nu:
verlangen jullie dat jullie kind gedoopt wordt in de Naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest?
Ja

Bediening van de Doop

vervolgens legt de voorganger de dopeling een hand op:
Je bent een kind van God,
getekend + met het kruis van Christus.

de diaken overhandigt de doopkaars die is ontstoken aan de paaskaars
Ontvang het licht van Christus

Aanvaarding v. zo is de naam van dit kind nu verenigd met de Naam van de Heer onze God.
Zijn jullie bereid je kind te ontvangen als kind van God en je door haar tegenwoordigheid je te laten
sterken in het geloof?
En wil je doen wat in je vermogen is je kind voor te gaan op de weg ons gebaand door Christus onze
Heer?

Ja, dat beloof ik

v. (tot de gemeente): gemeente gaat staan

Wilt ook u dit kind ontvangen in uw midden, haar dragen in uw gebeden om samen met haar
de weg van het Koninkrijk te zoeken en te gaan opdat zij zo haar doop zal leren beamen?

a. Ja, dat beloven wij.

Zingen Lied 413

Gebeden

Inzameling

Slotlied Lied 675

Wegzending en zegen