Zondag 19 april * Beloken Pasen * ds. Henk Haandrikman

Woord van welkom

Aansteken Paaskaars

Groet en bemoediging

Drempelgebed

Inleiding

Het is de eerste zondag na Pasen, Of liever de tweede zondag van Pasen. De paastijd duurt 50 dagen.

In de traditie van de kerk heet de eerste zondag na Pasen “Beloken Pasen”. Beloken zou zoiets als afsluiting kunnen betekenen, de paasweek (‘het paasoctaaf’, acht dagen vanaf Pasen) wordt afgesloten. Maar het zou ook te maken kunnen hebben met: de luiken dicht, opgesloten. De discipelen, geschokt door de gebeurtenissen die op Goede Vrijdag, hadden zich terug getrokken. Omdat ze zijn volgelingen waren, voelden ze zich niet veilig meer. De buitenwereld was bedreigend.

Wonderlijk hoe die oude verhalen in de huidige wereld weer zo dicht bij kunnen komen. Ook wij trekken ons terug uit een bedreigende buitenwereld.

We horen hoe in die gesloten wereld Christus voluit aanwezig is, dwars door de muren van onze zelfgekozen of gedwongen opsluiting naar ons toekomt.

Degene die daar nog van overtuigd moet worden is Thomas. In de traditie is hij de ongelovige Thomas gaan heten maar dat doet hem tekort. In zijn houding van ‘eerst zien en dan geloven’, in zijn twijfel is hij iemand waarin we ons allemaal kunnen herkennen. Juist nu is er de behoefte aan zekerheid.

We luisteren naar psalm 8 waarin die zekerheid wordt gefundeerd in kwetsbaarheid. Waaruit blijkt volgens de psalm de grootheid van God? Uit de kwetsbaarheid als van een kind. God die de zon en de maan en de sterren heeft gemaakt en de diepten van de zee, toont zijn allergrootste grootheid daarin dat ons nabij komt in de weerloosheid en kwetsbaarheid.

Psalm van de zondag      Psalm 8

Gebed om ontferming

Kyrie en Gloria                lied 299E

Lezing                                 Johannes  20: 19-31

Zang                                   lied 644: 1,2 5

Overdenking

Na meer dan een maand wordt het gemis van direct contact met familie en vrienden steeds groter. Wat een zegen zijn dan de moderne communicatiemiddelen: app, skype, zoom. Wij missen de kleinkinderen maar we beeldbellen en krijgen ruimschoots filmpjes opgestuurd. Daar zitten hele vermakelijke bij. Onze oudste kleindochter, net vijf, maakt van wat ze meemaakt verhaaltjes en liedjes en danst daarbij. Alles in haar leefwereld kan daarin opdoemen. Zo ook de verhalen uit de kinderbijbel, gemengd met wat ze die dag verder nog had gedaan. Maria die cup cakes voor Jezus bakt en dat er zoveel zijn dat de herders daarbij uitgenodigd worden. En een filmpje waarin ze met een zelfgemaakt liedje dansend op het bed van haar ouders onbekommerd zingt: Jezus is dood gegaan maar hij is ook weer opgestaan.

Heerlijk dat geloof van een kind. Voor haar is er nog niet de scheiding tussen waar wij als volwassenen mee leven: geloof aan de ene kant en kan dat wel echt zo zijn gebeurd, aan de andere kant. Ook voor haar zal die tijd aanbreken dat ze daar over na gaat denken. Dat houd je niet tegen en dat moet je ook niet willen. Waar je op hoopt is dat die onbekommerde verwondering in alles ergens aanwezig blijft.  Dat er iets bijzonders is gebeurd, iets dat het vertrouwen voedt dat er een weg verder is, dat er een nieuw begin kan zijn, altijd.

Als een kind onbekommerd zingt “en hij is weer opgestaan” dan is dat niet de vaststelling van een feit, een biologisch feit dat over een paar jaar wordt weerlegd in haar hoofdje maar een uitspraak die jou meeneemt, bij de hand neemt, vertrouwen geeft om verder te gaan, met andere woorden op te staan uit wat je vasthoudt.

Als Jezus het heeft over het geloof van kinderen dat zegt hij niet: je moet blijven als een kind maar worden als een kind. Niet blijven in de magische wereld van het kind, maar midden in de wereld van feiten ook leven met verwondering en vertrouwen. Die feiten niet ontkennen. Wetenschap omarmen en tegelijk het besef dat daarmee niet alles is gezegd. Dat er naast het feit van de zwaartekracht die rivieren naar beneden doet stromen ook de poëtische werkelijk van geloof is zoals in een gedicht van Jan Campert:

Ik geloof in een rivier

                    die stroomt van zee naar de bergen.

Die werkelijkheden hoeven elkaar niet tegen te spreken maar vullen elkaar aan. Bij Thomas waren die twee werkelijkheden uit elkaar geraakt. Hij wordt Thomas Didymus genoemd. Thomas de tweeling. Ja er is geloof, maar dit…? Dit kan niet..

Moest hij dan die andere kant van zichzelf dan maar overboord zetten? Zijn andere tweelinghelft? Is dat geloven? Dat je die kant van jezelf maar moet uitschakelen, die wil weten en zien en proberen. Is geloven dat je dat eerlijke deel van jezelf om zeep helpt?

We hebben dat allemaal wel eens gedacht. En soms denk je dat misschien nog wel. En er wordt vanuit een bepaalde hoek ook op doorgedramd dat het zo ook is. Maar dat fundamentalisme  is net zo plat, zielloos en onbarmhartig als de opvatting dat er niets anders is dan de harde feiten.

Zo staan we dicht bij Thomas. Wij zijn eerder Thomas – tweelingen, weegschaal – dan Petrus: de rots, mens uit een stuk, onverdeeld. Wij zijn als Thomas: Dividuen, scherven in plaats van individuen en mensen uit een stuk. Thomas, Didymus, de twijfelaar – apostel met het heen – en – weer.

“Zalig zijn zij, die niet gezien en toch geloofd hebben”, zegt Jezus dan. Wij kunnen dat ook vaak niet; wij hinkelen, als Thomas, op twee benen. Misschien nu in deze tijd, geconfronteerd met harde feiten wel des te meer. Maar aan de andere kant zien we in deze tijd misschien ook wel des te meer dat er weer vragen worden gesteld die meer met zin en essentie te maken hebben en blijken die werelden niet tegenover elkaar te staan maar elkaar te dragen en completeren.

We vragen ons af wat er allemaal gaat veranderen door en na de crisis. Misschien worden we wel weer meer als een kind dat beide werkelijkheden in één adem combineert: Jezus is dood gegaan maar ook weer opgestaan.

Orgelspel

In memoriam  met lied 961

Gebeden

slotlied 624

Zegen

Orgelspel