Negatief

Als ik kom aanrijden bij de kerk voor een afspraak met een predikant, zie ik iemand leunen op zijn schoffel. Op zijn dooie gemak. Het is Jan. Ik leerde hem al meer dan twintig jaar geleden kennen, toen ik gastvoorganger was in zijn dorpskerk. Hij was kerkvoogd, zo heette dat toen nog. Inmiddels is hij tuinman. De kerk drijft op mensen zoals Jan.

Er hangt een kille mist op deze stille morgen, het is koud. Maar Jan vertelt dat hij blij is met de tuin van de kerk. ‘Eigenlijk hoeft er nu niets te gebeuren, maar het is goed om iets anders te zien dan de binnenkant van je huis.’ We hebben een gesprek zoals er zoveel zijn in deze tijd. Over corona, over beperkingen. 

Jan zegt: ‘Ik mis de mensen. Uit eten gaan we nooit, en vakantie kan me niet schelen. Maar ik mis mensen. Mijn vrouw zegt dat ik niet zo negatief moet zijn. Maar dat ik er steeds maar de moed in moet houden, dat vind ik moeilijk. Nog even doorbijten, zegt Rutte dan. Maar dat ik het zwaar vind, mag ik niet zeggen. Dan vinden ze je negatief.’

Ik weet even niet hoe ik moet reageren, want ik herken veel van wat Jan zegt. Ik ken mezelf niet als zwaarmoedig of als pessimist. Dat kan ook niet als je al dertig jaar werkt in de kerk. Voor mij is hoop het mooiste woord van het geloof. Hoop is meer dan optimisme. Hopen is geloven dat het goed is. Of kan worden. En toch vind ook ik deze tijd zwaar. Wat ik het liefste doe kan niet. Ik mis de gemeentebezoeken. Ik mis echte kerkdiensten, het zingen. Ik mis de geur van al die zaaltjes bij de kerk. En net als Jan mis ik het meest de mensen. Het duurt te lang. 

Net als ik tegen Jan en mezelf wil gaan preken over hoop, is Jan me voor. Hij vertelt dat de dochter van zijn tweede vrouw die ochtend negatief is getest. Zijn ogen beginnen te twinkelen. ‘Dat is mooi van deze tijd’, zegt hij. ‘Het meest positieve woord in deze tijd is dat je negatief bent. Denk daar maar eens over na.’

Dat doe ik. En ik deel het met u. Humor om het vol te houden. En hoop dat het weer goed zal worden.

Column van classispredikant Peter Verhoeff in ‘Petrus’